Leo en Simon zijn al tien jaar een koppel dat lief en leed deelt wanneer Simon op een avond onaangekondigd niet thuiskomt na het werk. Op Leo's telefoontjes reageert hij niet en haar sms'en beantwoordt hij afwijzend kort. Wanneer hij in de vroege uurtjes toch het bed in stapt, blijkt hij hoogst opgewonden. Hij heeft een tattoo laten zetten, zegt hij, op de achterkant van zijn oorschelp, daar waar ze hun 'kaaskwekerij' hebben, de huidplooitjes die ontstaan zijn nadat in zijn kindertijd de stand van zijn flaporen werd gecorrigeerd en die een beetje zurig ruiken - en smaken wanneer Leo eraan likt.
...

Leo en Simon zijn al tien jaar een koppel dat lief en leed deelt wanneer Simon op een avond onaangekondigd niet thuiskomt na het werk. Op Leo's telefoontjes reageert hij niet en haar sms'en beantwoordt hij afwijzend kort. Wanneer hij in de vroege uurtjes toch het bed in stapt, blijkt hij hoogst opgewonden. Hij heeft een tattoo laten zetten, zegt hij, op de achterkant van zijn oorschelp, daar waar ze hun 'kaaskwekerij' hebben, de huidplooitjes die ontstaan zijn nadat in zijn kindertijd de stand van zijn flaporen werd gecorrigeerd en die een beetje zurig ruiken - en smaken wanneer Leo eraan likt. Gek, die plotse tattoo, denkt Leo, maar wat haar daarna overkomt, is nog een stuk gekker. Simon zegt niet alleen zijn job als grafisch vormgever bij een succesvol bureau op, hij zet ook zijn eigen firma op. Voortaan wil hij als zelfstandig ontwerper van tattoos aan de bak komen. In een manische vlaag, waarbij hij amper nog slaapt en zijn bankrekening als een lekke fietsband leegloopt, begint hij spullen te kopen: duizend balpennen met de firmanaam erop, banners, flyers en zelfs een lot van 3500 Leo's die bij een productcontrole niet voor de handel geschikt bleken en waarmee hij wilde plannen heeft. Het is wellicht een uitgesteld rouwproces, probeert Leo zichzelf te troosten: Simon verloor zijn moeder op jonge leeftijd en is daar nooit helemaal mee in het reine gekomen, iets waar ze trouwens zelf ook mee zit. Zij zijn gevangenen van hun verleden, beseft ze, twee wankele pilaren die elkaar rechthouden en wanneer er eentje tegen de grond gaat, kan de ander niet langer alleen verder. En dat is dus wat er gebeurt in Lize Spits tweede roman Ik ben er niet. Die roman begint net als haar debuut Het smelt vijf jaar geleden bijzonder ambitieus. Er wordt vlot geschakeld tussen de periode waarin Leo en Simon elkaar ontmoetten, het heden, waarin Simon steeds verder verzinkt in paranoia, en de toekomst - wanneer Leo van haar vriendin een paniekerig telefoontje krijgt dat Simon haar baby uit de kinderwagen heeft geroofd en er op de fiets mee op de vlucht is geslagen. Netjes gedoseerd krijg je details uit het leven van de twee hoofdpersonages te lezen, zodat hun plaatje steeds vollediger ingevuld raakt. Lize Spit toont dat ze heel veel in haar mars heeft. Tot op het moment dat Ik ben er niet gaat slepen en je je als lezer afvraagt waarom er zo om de vijftig pagina's een kort hoofdstuk volgt waarin afgeteld wordt naar het moment dat Leo Simon en de baby zal vinden. Leo fietst zogezegd tien minuten lang door Brussel, van haar werk naar huis en om de dertig seconden krijg je een blik in haar geest, wat vaker een niets- dan een ietszeggende blik is. Zat ook Lize Spit net als haar personages gevangen in het verleden toen ze Ik ben er niet schreef? En wel in het verleden van haar debuut, dat eenzelfde structuur heeft als die nieuwe roman? Het lijkt alvast zo, waardoor het boek vaak stroef en langdradig is. Leo zich op pagina 535 laten afvragen of ze wel een toekomst heeft met Simon en of hij te vertrouwen zal zijn met hun kinderen is relevant. Vervolgens een halve pagina uitweiden over wat hij allemaal zou kunnen doen is dat wat minder. We weten dat al, denk je dan. Hij is immers manisch, al honderden pagina's lang.