Een ingelijste oogbol die groene en rode verf over Mike Patton uitspuwt. Bliksemschichten in prehistorische cgi die uit de Flying V van Jim Martin schieten. Een bekkentrekkende Patton in een spuuglelijk T-shirt die het slachtoffer wordt van een wel héél plaatselijke regenbui. De videoclip van Epic, nog steeds Faith No Mores grootste hit, ziet er vandaag behoorlijk fout uit, en dat was 25 jaar geleden niet anders. Een mix van Salvador Dalí en bewegingstherapie voor psychiatrische patiënten, begeleid door een soundtrack met een oorwurm van een refrein. Enkele jaren daarvoor had Faith No More al een MTV-hitje gehad met We Care a Lot, een blauwdruk van de sound waarmee ze later spijkers met koppen zouden slaan: een funky ritmesectie, new-wavesynths en de staccatoriffs van Jim Martin. Ontbrak toen nog: Mike Patton, de Mr. Bungle-zanger die dankzij de langspeler The Real Thing (1989) - met daarop de single Epic - en het veel donkerder Angel Dust (1992) zou uitgroeien tot de meest iconische frontman van de alternatieve rockscene - na Kurt Cobain.
...

Een ingelijste oogbol die groene en rode verf over Mike Patton uitspuwt. Bliksemschichten in prehistorische cgi die uit de Flying V van Jim Martin schieten. Een bekkentrekkende Patton in een spuuglelijk T-shirt die het slachtoffer wordt van een wel héél plaatselijke regenbui. De videoclip van Epic, nog steeds Faith No Mores grootste hit, ziet er vandaag behoorlijk fout uit, en dat was 25 jaar geleden niet anders. Een mix van Salvador Dalí en bewegingstherapie voor psychiatrische patiënten, begeleid door een soundtrack met een oorwurm van een refrein. Enkele jaren daarvoor had Faith No More al een MTV-hitje gehad met We Care a Lot, een blauwdruk van de sound waarmee ze later spijkers met koppen zouden slaan: een funky ritmesectie, new-wavesynths en de staccatoriffs van Jim Martin. Ontbrak toen nog: Mike Patton, de Mr. Bungle-zanger die dankzij de langspeler The Real Thing (1989) - met daarop de single Epic - en het veel donkerder Angel Dust (1992) zou uitgroeien tot de meest iconische frontman van de alternatieve rockscene - na Kurt Cobain. Waarmee we meteen zijn aanbeland bij het grootste misvatting die over Faith No More de ronde doet: Mike Patton is de alfa en de omega van de band. Mocht ook u zich aan die dwaling bezondigen: we nemen het u niet kwalijk.'s Mans reputatie als creatieve duivel-doet-al en visionaire muziekmaker heeft ondertussen immers mythische proporties aangenomen. Soms is dat terecht. Met zijn groepen Mr. Bungle en Fantômas stak Patton zijn spade in onontgonnen muzikaal terrein en bij Tomahawk experimenteert hij met beklemmende alternatieve metal en zelfs indiaanse stammendansen. Hem een muzikale Midas noemen, zou echter overdreven zijn. Zijn uitstapjes richting hiphop (General Patton vs. The X-Ecutioners) en triphop (Peeping Tom) bleven onder de verwachtingen en bij sommige van zijn experimenten - zoals Mondo Cane, waarmee hij zich op zijn hondjes vergreep aan enkele Italiaanse smartlappen en popklassiekers - ontstaat de indruk dat hij er enkel zijn imago van allround vreemde snuiter mee wil cultiveren. Amusant en ideaal om uw hipstervrienden mee op uw hand te krijgen, dat wel, maar u blijft niet achter met een gat in uw muziekcultuur als u ze níét hebt gehoord. Patton maakt natuurlijk veel goed door het Ipecac-label te runnen, waar hij onderdak biedt aan goed volk als Dälek, Melvins en Zu - er kwam zelfs een verzamelaar van Peter Vermeersch' Flat Earth Society op uit. Bij Faith No More is hij echter een van de vijf. Songschrijven is er een groepsgebeuren en Patton is de lijm die de hele zwik samenhoudt. Tegenover Pitchfork verklaarde hij zelfs dat een aantal songs voor Sol Invictus al in de steigers stond toen de andere bandleden hem bij het nieuwe album betrokken. De muzikale ontdekkingsreiziger die zelf graag de touwtjes in handen houdt, schikt zich dus zonder problemen naar de groepsdiscipline. Ze bestáán, de Faith No More-aficionado's die het niet zo hebben voor Mike Patton en beweren dat het vroeger allemaal beter was. Met vroeger verwijzen ze naar de tijd van Chuck Mosley (1983-1988), de man die de geschiedenis is ingegaan als 'die zwarte zanger die werd vervangen door Mike Patton'. Mosley verdient beter dan dat. Op We Care a Lot (1985) en Introduce Yourself (1987) plaveide hij de weg voor zijn opvolger met zijn mix van rap- en zangpartijen. Eén probleem: Mosley leed aan narcolepsie, waardoor hij tijdens liveshows vaak plotsklaps in slaap en vervolgens op zijn smikkel viel. Die aandoening bleek geen verkoopargument, maar wel de voornaamste reden voor zijn ontslag, al zagen de andere bandleden in Patton vermoedelijk - en terecht - een betere zanger en performer. Mosley probeerde het later nog met zijn eigen band Cement en maakte zelfs even deel uit van de legendarische hardcoreband Bad Brains, maar veel leverde dat niet op. Vandaag is hij vooral wanhopig en kampt hij met financiële problemen. De titels van zijn recentste solowerk - Will Rap over Hard Rock for Food en Demosforsale - spreken wat dat betreft boekdelen. Wordt minder gemist in de FNM-rangen: Courtney Love. Ja, díé Courtney Love. Jaren voordat ze fulltime door het leven zou gaan als 'de weduwe Cobain' had ze de vocalen waargenomen in een van de vroegste incarnaties van Faith No More. Het was toetsenman Roddy Bottum die haar bij de band haalde toen Love - toen nog een veredelde groupie - hem in 1982 na een FNM-concert de oren van de kop had gezaagd. Lang duurde de romance niet: al na enkele maanden mocht ze beschikken - officieel omdat de band eerder op zoek was naar een frontman, maar de échte reden was iets voor de hand liggender. Ga op YouTube aan de slag met de zoektermen 'Faith No More' en 'Courtney Love' en probeer niet in een schaterlach uit te barsten. En nu we het toch over ex-leden hebben: er was ook nog het geval Jim Martin. Toen de helmboswuivende gitarist kort na de Angel Dust-tournee van 1993 bij Faith No More vertrok, was zijn relatie met de band al een tijdje verzuurd. Kwatongen uit de FNM-entourage beweerden dat hij op Angel Dust geen noot had gespeeld, en Martin kon naar eigen zeggen moeilijk overweg met de druk die de platenbonzen de band oplegden om snel met een opvolger voor The Real Thing te komen. Ook de pesterijen van de pers - die hem hadden bedacht met het weinig flatterende koosnaampje 'big sick ugly' - kwamen hem de strot uit. De eigenzinnige gitarist, bekend van zijn extravagante brillen en vooral van zijn rake gitaarinventies, had in de jaren daarvoor zodanig zijn stempel op de FNM-sound gedrukt, dat het daarna allemaal wat minder werd. Kortom: er zijn meer raakpunten tussen Martin en ex-Clouseau-gitarist Tjenne Berghmans dan u ooit had kunnen bevroeden. Limp Bizkit en Linkin Park op Pukkelpop, Korn en Papa Roach op Graspop en een aantal gelijkgestemde bands die een nieuwe plaat in de pijplijn hebben: het tweede deel van 2015 zou - we kunnen er ook niets aan doen - wel eens een terugkeer van de nu metal kunnen inluiden. Daar zitten ze bij Faith No More niet op te wachten. Begrijpelijk, want toen dat onzalige subgenre zo rond de eeuwwisseling als een etterende zweer openbarstte, wezen velen Mike Patton & co. met de vinger: zij en niemand anders zouden een generatie jonge muziekmakers hebben bezwangerd met hun hybride van metal en rap. Onzin natuurlijk, want op de minieme stilistische gelijkenissen na zijn er nauwelijks raakpunten. Faith No More maakt minutieus opgebouwde songs, nu-metalbands spelen op veilig en kiezen voor catchy riffs en zanglijnen die van de luisteraar geen inspanning vergen. En dan zijn er nog de teksten: Linkin Park serveert zijn eerstewereldproblemen - doorgaans troebelen met het lief of met zichzelf- met een uitgestreken gezicht, Mike Patton schrijft zijn nonsensteksten niet met een Grote Boodschap in het achterhoofd, wel met de songs zelf. En eerlijk: ziet u een brave jongen als Linkin-frontman Chester Bennington al poseren met een gimp, een in leer gehulde sm-slaaf, zoals Roddy Bottum doet op de promofoto voor Sol Invictus? Of een single met als titel Motherfucker lanceren? Neen, als u de komende maanden tot jeukens toe wordt geplaagd door een nu-metalrevival, dan zit Faith No More daar voor heel weinig tussen. Anderzijds: ze zorgden wel voor een hausse in de verkoop van driekwartsbroeken en bermuda's. Wat al even onvergeeflijk is. Comebackplaten en comebacks in het algemeen durven al eens op een sof uit te draaien. Onder meer Black Sabbath (met 13) en heel recent nog Blur (met The Magic Whip) bewezen echter dat een hiaat van meer dan een decennium louterend kan werken en minder contraproductief is dan een tot in het oneindige gerekte carrière - als u hierbij meteen aan U2 en Coldplay moet denken, dan is dat vooral hún en niet uw schuld. Ook Faith No More put zijn voordeel uit een lange sabbatical: voor het eerst sinds Angel Dust (1992) klinkt de groep volledig gefocust. En denk niet dat u met de luttele veertig minuten die het nieuwe album duurt zonder eten naar bed moet, want tussen de onheilspellende intro Sol Invictus en de blijmoedige uitsmijter From the Dead kent de plaat weinig zwakke momenten. Aan de minzijde: Sunny Side Up, een niemendalletje dat iets te opzichtig het contrast tussen levensvreugde en depressie uitspeelt. Voor de rest weinig vuiltjes aan de lucht: zelfs Motherfucker - denk aan triphop à la Tricky en zelfs Ozark Henry toen die nog relevante muziek maakte - wringt zich moeiteloos tussen de naargeestige progrock van Cone of Shame, het naar dark wave en Massive Attack overhellende Separation Anxiety en Superhero, waarin de keyboards van Roddy Bottum en zelfs enkele welgemikte gitaarsolo's als manna uit de hemel neerdalen. Even better than The Real Thing, zegt u? Laat ons vooral niet overdrijven, maar noteer: Sol Invictus is een atypisch goede comebackplaat. SOL INVICTUS Uit via Reclamation Records/PIAS. Faith No More speelt op 21/6 op Graspop Metal Meeting. Alle info: graspop.be DOOR JOOST DEVRIESEREJAREN VOORDAT ZE BEKEND WERD ALS DE WEDUWE COBAIN WAS COURTNEY LOVE ZANGERES VAN FAITH NO MORE. AL NA ENKELE MAANDEN MOCHT ZE BESCHIKKEN.