Eerste zin Het had nog eens gevroren en alles was wit berijmd, het gras, de onderste takken van de struiken...
...

Eerste zin Het had nog eens gevroren en alles was wit berijmd, het gras, de onderste takken van de struiken... Na de dood van haar zwaar gehandicapte en aan het warfarinesyndroom lijdende zusje Tully krijgt Mari het gevoel dat er een olifant in huis zit die haar met zijn gewicht versmacht en verplettert. Ze moet weg, en dus begint ze op een koude januaridag te wandelen. Ze volgt de loop van een rivier stroomafwaarts naar de zee, langs olifantenpaadjes, de kortere paadjes die we soms volgen doorheen het gras of het zand. Mari volgt haar eigen weg, die eveneens een psychologisch pad doorheen de rouw is, en dat terwijl haar man Felix in afwachting van haar terugkeer in het stukje bos dat ze gekocht hebben een huisje voor haar bouwt. Caro Van Thuynes Lijn van wee en wens had een zeemzoete, sentimentele draak kunnen zijn. Alle ingrediënten waren aanwezig: een dood kind, een rouwende vrouw en een hulpeloze man die die vrouw op meer dan één vlak van hem weg ziet wandelen. Maar dat is het dus helemaal niet. Deze roman is daarentegen een hartverscheurende ingehouden schreeuw, een worsteling met de olifant die pijn en verlies heet en een poging om het onzegbare te zeggen. Wat wat heeft dan nog betekenis? Het is alsof ze in een poel staat, zo beschrijft Mari het, waarin het verleden uitmondt, maar ook de toekomst, en die stilletjes volloopt terwijl zij er niet uit kan. Van Thuyne laat zich bij het schrijven leiden door wat ze gelezen heeft, zoals de boeken van Annie Dillard en vooral Richard Skelton, die in het fragmentarische Landings schreef over zijn eigen rouwproces en over hoe hij troost vond in de natuur. Zo ook adopteert Mari een gewonde kauw, die ze de naam Jakke geeft en die haar vergezelt op haar tocht langs het water. Hoe verder ze komt, hoe meer haar wereld en uiteindelijk ook haar taal uit elkaar vallen. Leestekens en hoofdletters verdwijnen, woorden verliezen letters en slokken elkaar op. 'de enige taal is de taal die blijft openhangen als de monden en anussen van de gestorvenen,' lezen we, 'en uit de monden krijst de verschrikkelijke absolute stilte van dat niets wat niet voor te stellen is onmogelijk voor te stellen is en uit de anussen spuit de pijn batterijzuurpijn prikkeldraadpijn kkrijggeenluchtpijn'.