Minstens driehonderd bunkers vind je op Terschelling. Commandobunkers, bevoorradingsbunkers, verdedigingsbunkers, verzamelingsbunkers, woonbunkers, schuilbunkers. Het rijtje dat Wyb (Matsen Montsma) in de eerste aflevering van Badgast opdreunt, is bijna eindeloos. Alsof Wyb niet alleen de rol van lokale bewoner speelt die allemaal lokale gebruiken etaleert, maar ook die van lokale gids in een toeristische reportage over het bewuste Waddeneiland. Dat er verderop nog 1800 zeehonden liggen, voegt hij er ook nog snel aan toe.
Badgast twijfelt wel vaker tussen beide genres. Alsof de makers gedacht hebben: als de kijkers het niet lusten, dan kunnen we het nog altijd aan de toeristische dienst verkopen, als een fictiereeks die niet veel om het lijf heeft, maar wel de geneugten en bijzonderheden van het eiland promoot.
Ook Tom Waes lijkt zich in een dubbelrol te wringen. Die van reisleider Waes en die van de afwezige, doch avontuurlijke vader, Vince, die ineens beslist de comateuze relatie met zijn dochter te reanimeren. Terwijl Vince vloekend door het zand ploetert en zijn dochter Zoë (Freya Van Campenhout) in een split screen weer niet weet waar haar vader uithangt, zweeft er een drone boven het eiland die de kijker vergast op idyllische plaatjes van duinen, uitgestrekte stranden en vervallen hotelletjes in die duinen. Eentje daarvan uitgebaat door Wyb en zijn moeder Aaf. Het ontbreekt nog net aan de commentaarstem van Waes die zich verbaast over al dat natuurschoon.
Omdat de reeks wel vaker spanning verwart met voorspelbaarheid, belanden Vince en Zoë als de enige gasten van het seizoen in hotel Cupido van Wyb en Aaf. ‘Is dat geen hoerenkot?’ vraagt Zoë verschrikt op de kade. ‘Ik hoop het’, antwoordt haar vader. En zo heb je een idee van het uitzonderlijke niveau van de dialogen, dat zelden hoger komt dan een van de driehonderd ingegraven bunkers.
Ook de titel is niet bijster vergezocht. ‘Badgasten’ is de naam voor hersenloze toeristen in het plaatselijke dialect.
Als alles volgens afspraak was gelopen, dan waren Vince en Zoë nooit op Terschelling beland en hadden ze hun eerste gezamenlijke vakantie in vele vaderloze jaren op Curaçao doorgebracht. Daar baat Vince – voicemail: ‘Veni, Vidi, Vince’ – een duikschool uit. Maar zoals wel vaker met een vader als Vince – avontuurlijk en notoir onbetrouwbaar – komt er van die reis niets in huis. Vince vliegt naar België met een missie die de broer van een van zijn eilandliefjes hem in de maag heeft gesplitst.
Dat die hele geheime missie rond drugs draait, wordt al duidelijk vanaf het moment dat Vince en Zoë met de auto van de boot rijden en Vince peentjes zweet omdat de plaatselijke politie de drugshond van stal heeft gehaald. In Badgast wordt weinig aan de verbeelding overgelaten. De scenarioschrijvers hebben nog net geen commentaarstem ingehuurd om uit te leggen wat waarom precies gebeurt. Mocht er toch iets aan de aandacht van de kijker ontsnappen waardoor die een seconde lang zou moeten nadenken over de mogelijke plotwending, doen de acteurs hun best om met nadrukkelijk rollende ogen, diep zuchten of puffen alvast te tonen dat ze geïrriteerd, boos of heel boos zijn. Allemaal lijken ze te spelen alsof ze auditie afleggen voor de plaatselijke theatergroep die besloten heeft een stuk op te voeren voor een publiek van hardhorige ouderlingen.
Er zijn weinig redenen te bedenken waarom Badgast gemaakt is. Het is natuurlijk mogelijk dat een subsidiepot voor toerisme op Terschelling nog snel op moest. Of dat Waes zich graag eens wilde tonen als de veelzijdige acteur die hij in het diepst van zijn gedachten is. Al mist dat laatste net als de rest van het scenario van Badgast de nodige geloofwaardigheid.