De Centrale in Gent wint een Ultima: ‘We willen iets realiseren waarvoor de minister ons geen subsidies toekende’

HET TEAM VAN DE CENTRALE: 'Wij moeten onszelf voortdurend heruitvinden.' © FRANKY VERDICKT
Jonas Boel
Jonas Boel Jonas Boel is medewerker van Knack Focus

De Centrale verenigt diverse culturen en genres op het podium. Met succes. ‘De oren staan wijder dan vroeger, zowel bij de allochtone als bij de autochtone bevolking.’

Van Afghaanse of Turkse pop en Iraans klassiek, tot Balkanfanfares, chanson, Afrikaanse folk en jazz van eigen bodem: het Gentse cultuurhuis De Centrale groeide sinds zijn oprichting als ‘intercultureel ontmoetingscentrum van Gent’ uit tot een pionier in de programmering en promotie van muziek en andere kunsten uit alle windstreken en in de meest diverse vormen. ‘Beetje bij beetje hebben we hier de hele wereld binnengehaald’, zegt Zohra Boucharafat (56), de programmator die zich richt op artiesten uit de Maghreb en het Midden-Oosten. Haar collega Cedric De Bock (43) is verantwoordelijke jeugd en theater. Samen hebben ze binnen De Centrale 25 jaar ervaring op de teller staan.

Het publiek dat in De Centrale over de vloer komt, is vaak even divers als jullie programmatie. Andere Vlaamse concertpromotors lijken soms moeite te hebben om met niet-westerse acts een niet-wit publiek te bereiken. Wat is jullie geheim?

Cedric De Bock: De Centrale is ontstaan vanuit de Integratiedienst Stad Gent, de rechtstreekse connectie met de verschillende gemeenschappen zat dus van bij het begin in de organisatie ingebed. Onze locatie speelt ook een rol. De Centrale zit in de wijk Sluizeken-Tolhuis-Ham, op een boogscheut van de Sleepstraat, waar veel Turkse organisaties samenzitten en ook een grote Afrikaanse gemeenschap huist, en niet ver van de straten rond het Baudelopark, waar ook veel mensen van Afrikaanse afkomst wonen. Onze deur staat open aan twee kanten: vaak worden we aangesproken door mensen uit de buurt die zelf aangeven wanneer een artiest op tournee is en ons de nodige contacten doorspelen. We krijgen dus regelmatig een verlanglijstje. Daar gaan we soms wel en soms niet op in. (lacht)

Het doet me plezier dat steeds meer zalen, zoals de AB de Vooruit, niet-westerse artiesten durven te boeken.

Zohra Boucharafat: Eigenlijk is het simpel: elke programmator heeft hier zijn of haar persoonlijke netwerk. Dat rechtstreekse contact met het doelpubliek is enorm belangrijk. Soms ga ik zelf flyers uitdelen of affiches hangen, in de Brabantstraat in Schaarbeek, bijvoorbeeld. En whatsappen, de héle tijd whatsappen! (lacht) Ons promotieplan is meer dan een foldertje en een website. Via Whatsapp sta ik bijvoorbeeld in contact met sleutelfiguren uit de Marokkaanse gemeenschap in heel het land en zelfs daarbuiten, maar ook rechtstreeks met mensen in Libanon, Egypte of Londen.

Mensen met een Afrikaanse of Arabische achtergrond beleven muziek vaak anders dan de onze. Vooraf een ticket kopen voor een concert, met een strak afgebakend begin en einde, is een concept dat ze vaak niet kennen.

Boucharafat: Klopt. Liveoptredens zijn bij hen traditioneel een gebeuren tijdens huwelijken en andere ceremonies. Daarom heb ik hier op sommige concerten tafels, stoelen en eten geïntroduceerd. Een Syrisch dabkefeest of een Turkse fasilavond is vrijwel ondenkbaar zonder dat er op z’n minst hapjes te krijgen zijn. Ik zie dat andere organisaties, zoals De Roma, dergelijke formules beginnen aan te bieden. En Mashrou’ Leila, een rockband uit Beiroet die bij ons al vele malen te gast is geweest, stond al op de affiche van de Botanique.

De jury van de Ultimas prees De Centrale omdat jullie met je knowhow en netwerk ‘andere organisaties helpen bij het diversifiëren van hun publiek en aanbod’. Hoe gaat dat in zijn werk?

De Bock: Gewoon, ze bellen ons op met de vraag ‘Hebben jullie wat Marokkanen voor ons?’ en dan trekt Zohra haar lade open. (lacht) Toen de Turkse folklegende Selda Bagcan aantrad in de Ancienne Belgique, bijvoorbeeld, hebben zij contact met ons opgenomen en hebben we er samen voor gezorgd dat er een flinke delegatie Gentse Turken ginder mee voor sfeer kon zorgen. Het doet me plezier dat steeds meer zalen, zoals de AB de Vooruit, niet-westerse artiesten durven te boeken. Dat is een teken dat de oren wijder staan dan vroeger, zowel bij de allochtone als bij de autochtone bevolking.

‘Een warm en bruisend nest met veel aandacht voor de kracht van diversiteit‘, staat te lezen op jullie website. Wat betekent dat voor jullie persoonlijk, ‘de kracht van diversiteit’?

De Bock: We werken met de realiteit, dát is de kracht. Wie diversiteit negeert, negeert de realiteit. Zonder dat de slinger daarbij hoeft door te slaan, hè, want het tijdperk van de positieve discriminatie uit de jaren negentig is voorbij. Dus moeten ook wij onszelf blijven heruitvinden. We hebben onze reputatie opgebouwd met traditionele muziek, die vaak het meest geliefd is bij de eerste generatie migranten. Tegenwoordig besteden we evenveel aandacht aan crossovers en organiseren we zelf actief kruisbestuivingen, met artiesten die hun traditie niet verloochenen maar tegelijk nieuwe dingen doen.

Het tijdperk van de positieve discriminatie uit de jaren negentig is voorbij.

Boucharafat: Die crossovers zijn een droom om te organiseren. We hebben sowieso een trouw, Vlaams-autochtoon publiek, op onze avonden oriëntaalse dans, bijvoorbeeld. En soms valt alles mooi samen, zoals op het BoxArt-festival, toen Freddy De Kerpel en Ismaïl Abdoul hier een match tegen elkaar boksten en Jo Lemaire nadien in de ring haar Edith Piaf-repertoire bracht. Piaf die ooit een relatie had met een bokser maar ook Marokkaanse roots had, iets wat veel Fransen of Marokkanen niet eens weten. En tijdens het Egypte Festival zong de Marokkaans-Brusselse Samia Sabri met haar orkest zowel songs van Umm Kulthum als Dalida, en stonden Vlaamse en Marokkaanse vrouwen, met en zonder sluier, samen te swingen op Alexandrie Alexandra, live gebracht door de Claude François-imitator Alain ‘Clo-Clo’ Des.

De uitreiking van de Ultimas, vroeger de Vlaamse Cultuurprijzen, staat dit jaar enigszins in de schaduw van de besparingen die Jan Jambon als minister van Cultuur doorvoerde. Jef Neve stuurde alvast zijn kat: ‘Wie het niet eens is met het beleid, moet er ook niets van aanvaarden’, liet hij weten.

De Bock: Persoonlijk heb ik begrip en respect voor de houding van Neve, maar als organisatie gaan we er iets pragmatischer mee om. Zo wordt de prijs uitgereikt door de kunstensector, niet door het kabinet van minister Jambon. De laureaten van dit jaar zijn ook gekozen toen Sven Gatz nog minister van Cultuur was, voor deze regering in functie trad. Het prijzengeld zullen we goed besteden: een tijd geleden dienden we een dossier in voor een project rond In C, een bekende compositie van de minimalistische grootmeester Terry Riley, dat we willen laten opvoeren door een zeer uitgebreid, divers orkest. Ondanks een uitstekende beoordeling van ons dossier kregen we van de minister geen subsidies. Als we met de centen van de Ultimas dat project alsnog van de grond krijgen, is dat misschien een creatiever en sterker statement dan niet opdagen op de avond zelf. (glimlacht)

Wat zegt de jury?

‘In De Centrale tillen musici met diverse achtergronden elkaar, het publiek en de maatschappij naar een hoger niveau, zowel op artistiek als op menselijk vlak.’

Partner Content