Alles zit snor bij Hendrik Lasure, zo lang hij meer dan een jazzsolist mag zijn

© Anneke D’Hollander
Jonas Boel
Jonas Boel Jonas Boel is medewerker van Knack Focus

Een genie, concludeerde Willy Organ nadat hij Hendrik Lasures nieuwe album Het wiel had gehoord. Nu nog zijn lief overtuigen van die gezichtsbeharing.

‘Mijn vriendin is er niet over te spreken’, lacht Hendrik Lasure, ‘maar alle jongens in Bombataz, de band van mijn goede vriend Vitja Pauwels waarin ik toetsen speel, hadden op een bepaald moment een moustache. Ik ben geplooid onder de groepsdruk.’

Met die snor en zijn lange, wilde haren ziet hij er helemaal anders uit dan de jonge koorknaap die we vier jaar geleden spraken, toen hij onder de naam Hendrik Lasure Warm Bad Garden Head uitbracht, met een ensemble dat hij rond zich verzameld had voor zijn afstudeerproject – op zijn negentiende! – als jazzpianist aan het Koninklijk Conservatorium Brussel. Vóór Warm Bad deed hij al van zich spreken met zijn jazztrio Thunderblender en met Schntzl, zijn instrumentale duo met drummer Casper Van De Velde. Schntzl smolt een jaar of zes geleden ook samen met An Pierlé en producer Koen Gisen tot het An Pierlé Quartet.

De subsidiecommissie zei letterlijk dat ze me als solist jazzpiano niet wilden steunen voor Nederlandstalige liedjes. Ik wil dat helemaal niet zijn, ‘jazzsolist’.

Met Het wiel, zoals veel van zijn projecten opgenomen met Gisen in diens studio La Patrie, waagt hij zich misschien meer dan ooit tevoren op onbekend terrein: niet alleen zingt Lasure, hij doet dat voor het eerst ook in het Nederlands. Het wiel staat vol broze, met frêle stem in ongekuist verkavelingsvlaams gezongen liedjes, nostalgische mijmeringen over vervlogen tijden en archaïsche tableaus. Omlijst met akoestische gitaar, strijkers en rietblazers weifelt Het wiel tussen kleinkunst en kamermuziek. Het is een geenszins voor de hand liggend werkstuk, een heel eind buiten de comfortzone van de hedendaagse jazz waarmee Lasure geassocieerd wordt.

© Anneke D’Hollander

Hendrik Lasure: Enkele mensen uit mijn omgeving opperden al sinds Garden Head om het in het Nederlands te proberen. Mijn vriendin bijvoorbeeld. En Koen Gisen, die ik zo’n beetje als mijn muzikale peetvader beschouw. Hij had daar een heel goed argument voor: in je moedertaal weet je pas echt wat je met je teksten op emotioneel niveau aanricht. Hoe komen je woorden in het Engels binnen bij iemand van wie dat de voertaal is? Dat weet je eigenlijk nooit helemaal. In het Nederlands kun je nauwkeuriger zijn. Bon, op een dag was ik aan het improviseren aan de piano, ik vond een mooie melodie en heb er een passende Nederlandse tekst bij bedacht. Dat is het nummer Wolkje geworden. Andere songs vertrokken dan weer vanuit de woorden zelf, zoals Pavel: een hoop tekst op een blad, herinneringen aan een schoolvriend, waar ik luidop lezend of zingend het juiste ritme bij heb gezocht.

© Anneke D’Hollander

Je hebt jezelf ook gitaar geleerd voor deze plaat. De pianotoetsen beu?

Lasure: Ik ben heel geschoold op de piano, en dat vind ik niet altijd tof. (glimlacht) Echt onbevangen spelen lukt eigenlijk nooit nog. Op gitaar kan ik zelfs bij de simpelste basisakkoorden nog spontaan een wauwgevoel hebben. Ik vind in de gitaar nog een soort naïeve verwondering die bij deze plaat paste. Iets kinderlijks waar ik naar terug wilde grijpen.

Op piano ben je te goed, op gitaar heb je nog marge om beter worden?

Lasure: ‘Beter worden’, wat is dat? Op de academie betekent dat elke dag studeren, oefenen, je vaardigheden ontwikkelen. Maar dat spreekt me tegenwoordig minder aan. Ik hoor het graag wanneer ik wat over mijn eigen vingers struikel. En op de gitaar gebeurt dat vanzelf. (lacht)

De onbevangenheid die je op Het wiel uitstraalt, leverde je al mooie lofbetuigingen op. In De Morgen bekende auteur Jeroen Olyslaegers dat hij niet wist waar hij moest kruipen toen hij die ‘wonderlijke plaat’ beluisterde. Singer-songwriter Chantal Acda nam op Facebook woorden als ‘wonder’, ‘bloedmooi’ en ‘authentiek’ in de mond.

Lasure: Ja. Prachtig, hè? Ik heb veel meer mensen bereikt dan ik had verwacht, eerlijk gezegd. Daar ben ik heel dankbaar voor. Onlangs was ik in Mechelen op een concert van Vitja Pauwels met Marc Ribot. Daar waren heel veel mensen die ik van dichtbij of van veraf ken. Bijna iedereen die ik kende en sprak, had de plaat al beluisterd. Daar schrok ik toch van – dat gebeurt eigenlijk niet vaak onder muzikanten. Sommigen zeggen dingen als: ‘Ik was een beetje in de war’, maar dat vind ik best oké. Want ik ga tegen van alles en nog wat in, hè. Ik conformeer me niet aan een bepaalde formule.

Ik heb nog een complimentje voor je: Willy Organ, de officieuze redder van het Vlaamse levenslied, laat weten dat hij in de wagen spontaan luid is beginnen te roepen toen hij naar het album luisterde. Ik citeer: ‘Je beseft onmiddellijk dat je naar een genie aan het luisteren bent.’

Lasure: Willy Organ? Echt?! Wel, de liefde is wederzijds: ik ben fan.

Begrijp je dat er ook mensen zijn die afknappen op je stem, je manier van zingen, je tussentaaltje?

Lasure: Honderd procent. Een ‘echt’ dialect ben ik sowieso niet machtig. Ik wilde ook vol in de kwetsbaarheid gaan staan, compleet ongepolijst. Ook voor mij was het soms ongemakkelijk, hoor, om mijn broek zo af te steken. Zodanig zelfs dat toen Koen en ik de plaat aan het mixen waren ik op de duur zélf begon te twijfelen: ‘Vind ik dit wel goed genoeg?’ Vooral omdat ik het bijna nergens anders mee kon vergelijken. En mijn stem, ja, die is raar, bijna als een rasp. (lacht)

Had je een referentiekader in de Nederlandstalige muziek?

Lasure: Ik ben in elk geval niet daaruit vertrokken. Alle songs zijn simpel begonnen, op piano of gitaar, en van daar kon het alle kanten uit. Even speelde ik zelf met het idee om de songs met allerhande electronica te bewerken.

Je had een plaat kunnen maken à la James Blake, ook een zanger-toetsenist, en iemand van wie je fan bent.

Lasure: Exact. Van Ik barst slingert nog ergens een trapversie rond. (lacht) Maar toen ben ik toch beginnen te luisteren naar mensen als Boudewijn de Groot, Ramses Shaffy, Jules de Corte en Broeder Dieleman, een Nederlander die een soort deltablues zingt, maar dan over de polders en in een Zeeuws dialect. Hij heeft me de moed gegeven om mijn eigen stem te waarderen. Akelig dichtbij, mooi en lelijk tegelijk. Ik ben bewust voor die snijlijn gegaan, in plaats van voor een bepaalde, welomlijnde vorm – heel de tijd fluisteren, bijvoorbeeld.

In Pavel zing je over een oude schoolvriend met een autismespectrumstoornis: ‘Mijn lieve vriend was eigenaardig, zoals iedereen waarbij ik comfortabel was.’ Jij was op heel jonge leeftijd al in de ban van de muziek en de jazz. Heb je jezelf soms eigenaardig gevonden?

Lasure: Zeker wel. Nooit onder de mensen met wie ik samenwerk, wel op sociaal vlak. Een formele receptie, daar kan ik bijvoorbeeld niet mee om. Dus kies ik vaak het gezelschap van mensen met bizarre gewoontes en zo. Dan voel ik mij zelf niet al te raar. (lacht)

Waar komt de pastorale en christelijke sfeerschepping en beeldspraak in songs als Hotel Dieu en Huil voor mij vandaan? Bethlehem heeft zelfs de allure van een kerstsingle.

Lasure: (lacht) Als klein kind heb ik wel eens gebeden, maar ik ben niet katholiek opgevoed of zo. De symboliek spreekt me wel aan, en dat pastorale is een leuk stijltje om mee te spelen. Ook daar zit veel verwondering in, hè. En één woord als ‘Bethlehem’ en je gooit meteen het gewicht en de associaties van tweeduizend jaar geschiedenis mee in de saus. (lacht) Terwijl dat gewoon van het Bethlehemplein in Brussel komt, waar ik vroeger woonde. Ik doe graag dingen om mezelf mee te schofferen, snap je? Dat is mijn rusteloze aard, denk ik. Ik gebruik muziek vaak als iets om mezelf mee te ontrafelen of te ontplooien. Die kerstplaat, dat komt er dus ooit van, sowieso. (lacht)

© Anneke D’Hollander

Je hebt Het wiel naar verluidt gemaakt zonder echt budget en zonder engagement vooraf van een platenlabel.

Lasure: Klopt, al heeft Tim Beuckels van Unday Records zich uiteindelijk wel vol, met veel persoonlijke toewijding op de release gesmeten. Ik had twee keer subsidies aangevraagd – voor de opnames en voor een tournee – en twee keer kreeg ik een njet van de commissie. Ze zeiden letterlijk dat ze me als solist jazzpiano niet wilden steunen voor een plaat met Nederlandstalige liedjes. Tja. Terwijl ik dat helemaal niet wil zijn, ‘jazzsolist’.

Ah nee?

Lasure: Bekijk mijn cv van de voorbije drie jaar maar eens. Daar zitten vooral veel soundtracks en theatervoorstellingen tussen. Noem me gerust een componist. En op deze plaat improviseer ik bijvoorbeeld geen seconde, net als op Garden Head. De enige keer dat ik de voorbije jaren als jazzsolist aan iets gewerkt heb, was voor Kris Defoorts The Time of Our Singing.

Daar had je in de orkestbak het gezelschap van drummer Lander Gyselinck. Jullie traject is een beetje vergelijkbaar: ook hij werd op jonge leeftijd toegejuicht als ‘wonderkind’, ook hij slaat graag verschillende paadjes in. Klikt het tussen jullie?

Lasure: Dat klopt wel, van dat traject. Persoonlijk klikt het zeker – onze paden kruisen regelmatig – en muzikaal zou het werken, denk ik, ook al liggen onze esthetieken op het eerste gehoor nogal ver uit elkaar. Ik ben minder bezig met grooves en zo. Maar een geweldige muzikant, hoor, met enorm veel drive. Ik heb heel veel respect voor Lander. Binnenkort maak ik trouwens de muziek voor Change of Plans, een nieuwe dansvoorstelling van zijn zus, Femke Gyselinck.

Je eigen ouders spelen klarinet en dwarsfluit op Het wiel.

Lasure: Ik wilde niet de beste muzikanten, maar de juiste. Veel van deze songs zijn ontstaan tijdens de lockdowns, terwijl ik uit verveling gedachteoefeningetjes maakte en over frappante momenten in mijn leven nadacht. Over de muziekschool, bijvoorbeeld, waar ik als kind heel gelukkig was. En wie was mijn lerares notenleer? Mijn moeder. Zij en mijn vader hadden al heel lang hun instrument niet meer behoorlijk bespeeld. Dat beetje stuntelige, dat hóór je. Dat wilde ik ook. Opnieuw: kwetsbaarheid, eerlijkheid, persoonlijkheid. En vooral spannend allemaal. Ik ben al sinds mijn zeventiende professioneel muzikant, en ik heb al veel platen gemaakt met Koen Gisen als producer. Maar deze keer was ik strontnerveus toen ik er de eerste keer mee naar hem stapte. Dat zegt genoeg, nee?

Het wiel

Uit op Unday Records.

Hendrik Lasure

Op 19.01 in Rataplan, Borgerhout, op 21.01 in Ha Concerts (Handelsbeurs), Gent, op 28.01 in Nona, Mechelen en op 20.04 in Hnita, Heist-op-den-Berg.

Change of Plans

Première op 06.04 bij Viernulvier, Gent.

Hendrik Lasure

Geboren in 1997 in Brugge. Woont in Antwerpen.

Begint met vioolles op zijn derde, speelt piano sinds zijn achtste en studeert op negentienjarige leeftijd af aan het conservatorium in Brussel.

Vormt sinds 2014 met drummer Casper Van De Velde het instrumentale Schntzl.

Brengt in 2019 zijn eerste soloalbum Garden Head uit, onder de naam Hendrik Lasure Warm Bad.

© Anneke D’Hollander
Lees meer over:

Partner Content