In zijn mogelijk laatste roman neemt Julian Barnes afscheid van liefde, leven en woord.
‘Ongeneeslijk maar beheersbaar’ – dat is het onverbiddelijke verdict dat Julian Barnes van de dokter te horen krijgt. Hij heeft al een tijdje last van een hardnekkige huiduitslag waartegen geen zalfje opgewassen blijkt. Een vervelend kwaaltje, denkt de Britse schrijver, jammer van de jeuk, maar na een bloedonderzoek blijken de rode bubbels een symptoom van een dieperliggende ziekte.
De diagnose van leukemie komt hard aan bij Barnes – zo klinkt dat dus, een doodstraf, doch er is ook betrekkelijk goed nieuws. Mits een paar pillen kan deze vorm van beenmergkanker onder controle worden gehouden. Na een half dagje ziekenhuis mag hij terug naar huis, de dood nog even afgewend. Een week later gaat Engeland in lockdown; er waart een moordend virus door het land en het is bang afwachten welke zeis – kanker of de pest – hem eerst neermaait.
Barnes blijft er laconiek onder. Ongeneeslijk maar beheersbaar, dat is de definitie van het leven, en hij begint aan een nieuwe roman. Een waargebeurd verhaal deze keer, zo verzekert hij de lezer, over een jeugdliefde die opnieuw aangewakkerd wordt. Twee van zijn studievrienden, Jean en Stephen, vinden elkaar na veertig jaar terug, en besluiten door Barnes’ bemiddeling te trouwen.
Centrale zin: Hij is nu een oude hond, ook al weet hij niet dat hij oud is of een hond.
Als koppelaar van dienst wordt hij ook de biechtvader van beide nieuwe/oude geliefden, en ook al zweert hij discretie, hij kan het niet laten om hun ontboezemingen neer te pennen. Met zachte doch schuldbewuste hand leidt hij ons binnen in de geheimen van een herfstig huwelijk – we zijn onder ons, aan niemand doorvertellen, maar ondertussen fluistert Barnes weer een briljante roman in je oor.
Vertrek(punt) zou wel eens zijn laatste boek kunnen zijn. Tussen de liefdesperikelen door mijmert hij over zijn schrijversleven, en denkt hij na over wat overblijft. Als francofiel gaat hij te rade bij zijn favoriete Franse schrijvers, Marcel Proust op kop, maar hij puurt ook levenslessen uit het turbulente schrijverschap van Arthur Rimbaud. Natuurlijk herdenkt hij ook zijn Londense kameraden, Martin Amis en Christopher Hitchens, en betreurt hij zijn overleden vrouw.
Toch wordt de toon nooit grimmig. Ook al ligt de benige hand van de dood op zijn schouder, Barnes blijft goedmoedig over zijn leven en liefdes schrijven. Dat levert pareltjes van alinea’s op, vol erudiete en ontroerende bespiegelingen, en de oude duivel weet hoe hij de lezer door zijn literaire hoepels moet laten springen.
Je danst met plezier op zijn woorden, want je weet dat dit Barnes’ laatste wals zal zijn. Stiekem hoop je op nog een extra riedeltje, een kleine encore om de pijn te verzachten, maar misschien moeten we de stilte aanvaarden. Het ga je goed, Julian Barnes, en dank voor alle schoonheid.