‘Voor mij is fictie altijd het domein van de absolute vrijheid geweest’: drie vragen aan Christophe Vekeman
Na een heuse godservaring ging Christophe Vekeman op zoek naar wat er achter onze dagdagelijkse ervaringen verborgen zit. God dus, of is het waanzin?
‘Ik denk niet dat ik goed en wel besefte, toen, hoezeer ik in de war was’, zo begint Christophe Vekeman Tot God, zijn eerste autobiografische non-fictieboek. Het is het verhaal van zijn godservaring in een kerk in Oxford, van zijn liefde voor Gerard Reve en C.S. Lewis en zijn worsteling met W.F. Hermans, maar ook van zijn complete instorting in een grot in het Gentse Citadelpark. Waar eindigt God en waar begint de waanzin? Of vind je de een in het ander? Vekeman schrijft gezangen, een stichtende brief aan collega Peter Terrin en droombeschrijvingen die visioenen zouden kunnen zijn, en dat allemaal in de breed uitwaaierende stijl die hem eigen is, met veel oog voor humor, wat van Tot God een uniek religieus boek maakt.
‘Alle hoeddragers kunnen bevestigen dat het de voorbije jaren merkelijk harder is gaan waaien.’
Kwam Tot God voort uit de woke reacties op je vorige boek?
Christophe Vekeman: Ik noem dat de boze tijdgeest. Voor mij is fictie altijd het domein van de absolute vrijheid geweest. In het huidige literaire en maatschappelijke klimaat wordt die vrijheid aan banden gelegd. Als jullie het onderscheid tussen de schrijver en zijn personages niet meer kunnen maken, dacht ik, dan schrijf ik voortaan alleen nog over mezelf. Voor zover dat kan, natuurlijk. Stel dat iemand je vraagt om een recente droom na te vertellen, dan zul je merken dat je die al vertellend aan het construeren bent.
Je godservaring heeft wel iets met je gedaan. Je hebt zelfs je hoed ingeruild voor een pet?
Vekeman: Alle hoeddragers zullen kunnen bevestigen dat het de voorbije jaren merkelijk harder is gaan waaien. (lacht) Maar dat is natuurlijk niet de ware reden. Ik draag soms nog wel een hoed, maar niet meer zo fanatiek of consequent. Het dragen van een hoed was voor mij altijd de uitdrukking van mijn liefde voor de countrymuziek. Die is niet verminderd, maar sinds een paar jaar is country voor mij minder religie geworden en meer gewoon fantastische muziek. En wellicht vond ik het ook tijd om tegen de verwachtingen in te gaan. Vekeman draagt altijd en overal een hoed? I wear my own kind of hat, en vandaag is dat een pet.
Country en religie bijten elkaar toch niet? Johnny Cash heeft bijvoorbeeld heel wat gospels gezongen.
Vekeman: Country is een genre van de zaterdagavond, maar net zo goed van de zondagochtend. Een hele waslijst countrymuzikanten heeft een gospelnummer en vaak zelfs hele gospelalbums opgenomen. Cash spant daarbij de kroon. In 1986 heeft hij zelfs een roman over de apostel Paulus geschreven. Het heeft me altijd verbaasd dat sommigen dwepen met Johnny Cash, Bob Dylan of Leonard Cohen en tegelijk beweren dat religie iets is voor achterlijke mensen, terwijl het christendom 2,4 miljard gelovigen telt. Het is een wereldgodsdienst, geen geestesstoornis. If it’s good enough for Johnny Cash, it’s good enough for me, zeg ik altijd.
Tot God
Christophe Vekeman, De Arbeiderspers, 278 blz., € 24,99.
Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier