Onlangs zag ik een bijzonder boeiende documentaire over de ondergang van Pompeï. Na de vulkaanuitbarsting zonk de stad hulpeloos weg in de hete brij die als traag stollend bloed door de straten, in de huizen en over de mensen gleed en dat alles bestendig verzwolg. Net zo, dacht ik later bij een glas wijn, verstoppen de stukken, brokken en losse flodders informatie waarmee we dagelijks bekogeld worden ons brein. Wat niet weet, niet deert, werd vroeger lachend op het boerenerf gezegd – als bijvoorbeeld de herenboer de katjes in het donker had geknepen – maar niet weten is dezer dagen schier onmogelijk geworden. Pas op, niets verkeerd met geïnformeerd zijn, men kan het beter zijn met al die vieze ziekten tegenwoordig, maar hoe zit het ondertussen met de kwaliteit van zo veel kwantiteit? Ik heb daar soms mijn twijfels over. Zeker als het gros van het nieuws zich herleid tot lokale akkefietjes, waarbij ongetwijfeld moedige mensen betrokken zijn. Zoals het negenjarige dochtertje van de bakker dat de inbreker betrapte. Twee minuten zendtijd op de VTM. Tuurlijk is dat meisje er niet goed van, maar is er niet ergens in een land hier ver vandaan een aardbeving geweest?
Er zijn dagen waarop ik de deur achter me dichttrek en denk: jullie kunnen allemaal verrekken met jullie informatie en jullie nieuws en jullie journaals en reporters ter plaatse. Ik duik onder, ik verschuil me voor de niets ontziende modderstroom. Meestal beland ik dan op café, waar samen met wat goudgeel vocht de remsporen van de informatiediarree worden doorgespoeld. Verlicht en verhelderd van geest kom ik er dan weer buiten. ‘Ach wat’, denk ik dan. ‘Het leven is zo slecht nog niet en morgen wordt het vast beter.’ Maar ook daar op café is men dezer dagen niet langer veilig voor de dictatuur van het nieuwsbericht. Bij Canvas hadden ze het onzalige en tegelijk lucide idee om de kloof tussen de burger en de informatiedrager te dichten en dus palmen ze iedere avond de helft van een café in om de Grote Gebeurtenissen van de Voorbije Dag te bespreken. Ik denk dat ik de redenering van zo’n programmamaker wel kan volgen. Weg uit de dompige studio’s, weg uit de kunstmatigheid, wij willen het echte leven ruiken, proeven, voelen! En waar vind je dat echte leven? Op straat!? In de parochiezaal!? In het wegrestaurant!? ‘Nee, nee,’ glunderde de bedenker, ‘op café!’ Armen gingen de lucht in, papieren vlogen in het rond. Natuurlijk! Op café! Allen daarheen!
Die vrijdag zag ik Kathleen Cools met vier mannen om zich heen plaatsnemen in een café. Het vat van vieze Jules werd met een weekje uitgesteld, want ‘hé mannen, den televies is daar’! Maar de mannen hadden hun vijftien minuten roem al gehad. De ene had in Bevalling gezeten, de andere had gesolliciteerd voor Paradise Hotel, nog een andere moest vroeg op, want die van Hulp aan Huis stonden voor de gelegenheid morgen aan zijn deur. Dus staarden ze wat verveeld naar die vier buitenstaanders in hun café. Ze hadden het over ING en de jobs die daar op de tocht stonden, zoals men dat zo mooi kan zeggen. Want op vrijdag gaat het over economie in Morgen Beter. Kathleen Cools probeerde de teugels van het gesprek strak te houden, maar de economische logica en wetmatigheid van drie van de vier floepte aan haar voorbij en dus leek ze al snel op die ene toeschouwer die juicht bij een own-goal omdat ze niet weet welke ploeg in welke richting speelt. Gelukkig kent ze wel haar taal en dus wees ze de mannen er nauwgezet op als ze een moeilijk woord gebruikten. ‘Da’s een moeilijk woord, meneer van Petercam’, zei ze met een soort van opluchting in haar stem, en dan nam Steve Stevaert het naadloos van haar over. ‘Ik leg dat wel even uit Kathleen.’ En hij begon over het Chinese gevaar en outsourcing, wederom een moeilijk woord dat hij zelfs zonder de tussenkomst van Kathleen graag uitlegde. Een lichte gêne bekroop me. En een grote ergernis. Over de mij ontgaande meerwaarde van dit programma op verplaatsing. Gelukkig kan men nog altijd zwijgend instemmen met de titel en twijfelend murmelen: ‘Morgen beter? Hoop doet leven, zei de boer, en hij plantte zijn zaad.’
Tine Hens
‘MORGEN BETER? HOOP DOET LEVEN, ZEI DE BOER, EN HIJ PLANTTE ZIJN ZAAD.’
Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier