Niets is voor eeuwig, helden al helemaal niet. Elke week diepen wij een held op die onterecht bedolven werd onder de waan van de dag.

Twee Grammy’s wist Harry Nilsson te verzilveren in zijn carrière. De eerste in 1969 voor zijn vertolking van Fred Neils Everybody’s Talking, een hit dankzij de soundtrack van Midnight Cowboy, en een tweede in 1972 voor het tot een machtige powerballad herschapen Without You, origineel van de Britse rockgroep Badfinger. Twee covers: o ironie, want Nilsson begint zijn muzikale loopbaan begin jaren zestig als broodschrijver, wiens eerste pennenvruchten op band worden gezet door onder meer The Monkees, Little Richard en countryzanger Glen Campbell. In 1964 werkt hij zelfs even samen met Phil Spector.

Songschrijversstrepen verdiende Nilsson al vroeg, maar als soloartiest zal de New Yorker met de kristalheldere en met octaven goochelende stem nooit een klinkende naam worden, ondanks zo’n achttien langspelers, uitgebracht tussen 1966 en 1980. Zijn fijnzinnige, nu eens licht absurde, dan weer naïef aandoende songs zijn te excentriek voor de hitlijsten en te traditioneel voor de underground. Nilsson flirt graag met de grens tussen satire en serieux, schrijft met hetzelfde gemak hypergevoelige ballades als onnozele calypsodeuntjes, orkestrale breedbeeldpop of een soundtrack bij een psychedelische tekenfilm. Optreden doet hij nooit. Ter promotie van A Little Touch of Schmilsson in the Night uit 1973 – een album met jarendertig- en -veertigklassiekers – filmt de BBC een studiosessie met orkest. Nilsson zit er ongeïnteresseerd bij op een barkruk, croonend met een sigaret tussen de vingers. Het beeld doet denken aan Serge Gainsbourg, ook zo’n rotgetalenteerde dwarsligger, een buitenbeentje met lak aan trends. In tegenstelling tot het Franse enfant terrible zal Nilsson nooit zijn cultstatus overstijgen. In 1977 hoopt hij na enkele luwe jaren op een comeback met het sublieme Knnillssonn, bij platenfirma RCA zien ze echter meer brood in de nalatenschap van de pas overleden Elvis Presley. Het album flopt en in de jaren tachtig trekt Nilsson zich gedesillusioneerd terug uit de muziek. In 1994 overlijdt hij thuis aan een hartaanval.

BEROEMDE FANS

Gevraagd naar hun favoriete Amerikaanse artiest antwoordden John Lennon en Paul McCartney tijdens een persconferentie in 1967 allebei ‘Nilsson’. Harry onderhield goede contacten met de Fab Four, en blikte in 1974 zelfs een album in met Lennon: het rommelige, door alcoholexcessen geplaagde Pussy Cats. In Randy Newman vond Nilsson begin jaren zeventig een gelijkgestemde ziel, en dicht bij huis is Bent Van Looy een uitgesproken adept. Nilssons invloed is ook een constante op het album Fear Fun van Focus-favoriet Father John Misty. De lijst Harry Nilsson-covers is eindeloos, met One door Aimee Mann als een van de mooiste (herinner u de soundtrack van Paul Thomas Andersons Magnolia), en Jump into the Fire door LCD Soundsystem als een van de verrassendste.

LUISTERTIPS

Uit Nilssons beginperiode is Aerial Ballet (1968) de grootste aanrader; een elegante verzameling kleine, fijne, verhalende liedjes, met One en Everybody’s Talking als grootste trekkers. Op het eerste deel van de Schmilsson-trilogie, Nilsson Schmilsson (1971), trekt Harry alle registers open: de ultieme powerballad Without You (Mariah Careys versie is er niks tegen), het calypsoniemendalletje Coconut, de furieuze rocker Jump into the Fire, en daartussenin op Beatlesleest geschoeide pop. Nilssons croonercapaciteiten komen het best tot hun recht op A Little Touch of Schmilsson in the Night (1973). Aparte albums zijn moeilijk te vinden, maar deze zomer verschijnt via Sony – eindelijk – een 17 cd’s tellend overzicht van Nilssons jaren bij RCA.

JONAS BOEL

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content