Er zijn veel namen bedacht voor Frank Vandenbroucke. Steeds weer kwam het erop neer dat hij een godenkind was. Een arrogant godenkind, maar 'zolang klootzakken winnen, mogen ze klootzakken zijn'. Ik weet niet of Vandenbroucke dat werkelijk zo gezegd heeft. In de zevendelige documentaire over zijn fietsen en zijn leven wordt hij vertolkt door een stem met een gekuist West-Vlaams accent (die van rapper Brihang). Het klinkt aanvankelijk nogal kunstmatig, maar omdat wat de stem zegt best wel hout snijdt, went het uiteindelijk.
...

Er zijn veel namen bedacht voor Frank Vandenbroucke. Steeds weer kwam het erop neer dat hij een godenkind was. Een arrogant godenkind, maar 'zolang klootzakken winnen, mogen ze klootzakken zijn'. Ik weet niet of Vandenbroucke dat werkelijk zo gezegd heeft. In de zevendelige documentaire over zijn fietsen en zijn leven wordt hij vertolkt door een stem met een gekuist West-Vlaams accent (die van rapper Brihang). Het klinkt aanvankelijk nogal kunstmatig, maar omdat wat de stem zegt best wel hout snijdt, went het uiteindelijk. Vreemder is het om met de kennis van nu naar de getuigenissen over toen te luisteren en om te horen hoe die stem de lof zingt over het wonder van wielerploeg Mapei, over de professionaliteit van dokter Vanmol en ploegleider Lefevere, terwijl ondertussen iedereen weet dat er meer aan de hand was dan enkel professionaliteit. Zelfs wie niet alle winnaars van Parijs-Roubaix of de Ronde van Vlaanderen uit het hoofd kent, herinnert zich vaagweg het gesprek over wespen en gesneden broden dat Museeuw ooit met veearts José Landuyt voerde. De hoogdagen van Vandenbroucke vielen spijtig genoeg samen met de hoogdagen van de doping in het wielrennen. En ja, dan wringt het om Lefevere met een zelfingenomen grijns te horen bluffen over hoe zijn wielerploeg 'in alles een beetje voor lag', hoe ze met een hartslagmeter reden en daarvoor zelfs werden uitgelachen. 'Huh, huh, niet alleen met een hartslagmeter', kon ik niet nalaten te denken. Maar veel wordt beter als je wat je al weet naast je neerlegt. Zo ook Ik ben God niet. Wie zoals Vandenbroucke tragisch sterft, dreigt slechts herinnerd te worden als de man die diep viel. Het godenkind dat zijn vleugels brandde aan de zon. Als klootzakken niet langer winnen, dreigen ze alles te verliezen. Het is de veel te korte samenvatting van het fenomeen Vandenbroucke. Had het anders kunnen lopen? In het licht van de geschiedenis is het een nutteloze vraag, maar een mens denkt er nu eenmaal graag over na. Wat als de vader op de achterbank van de volgauto wat vaker zijn mond had opengetrokken tegen die nonkel die geen tegenspraak duldde? Wat als de moeder haar zoon wat minder op handen had gedragen? Wat als het eerste lief niet zomaar zijn vuile was had opgeruimd? Was de zelfgenoegzaamheid van Vandenbroucke dan ingedamd geweest? Of was die ontembaar? Misschien is het niet mogelijk als moeder je kind een strobreed in de weg te leggen als je datzelfde kind uit de handen van de dood hebt gerukt? Vandenbroucke was vier toen een rallyrijder hem van de weg maaide. Na zes weken ziekenhuis moest hij thuis opnieuw leren stappen. Voor hij weer kon lopen, zat hij al op de rollen. Het was wat de ouders graag zagen: een kind dat voor het wielrennen was geboren. Zijn linkerbeen zou altijd 1,5 centimeter korter blijven, zijn kniegewrichten zouden altijd vatbaar zijn voor ontstekingen. Vandenbroucke kwam met een fysieke achterstand aan de start, maar ook met een onstilbare honger naar succes. Hij wilde de beste zijn. Aan bescheidenheid verspilde hij geen tijd. Zijn ongeduld stuwde hem vooruit. 'Quand tu as la classe, tout passe.'Toch was er altijd die schaduwzijde. De mensen die aan bod komen in Ik ben God niet hadden het over faalangst, over een gebrek aan zelfvertrouwen, over de grote branieschopper met het hart als een doperwt. Vandenbroucke was de jonge loot die sneller dan goed voor hem was naar de zon groeide. Hij bloeide weelderig op, maar bij de minste tegenwind dreigde de stam te knakken. Tot nu werd dat nooit mooier bezongen dan in Ploegsteert van Het Zesde Metaal. Ik ben God niet voegt daar een extra laag aan toe. Je weet hoe ze eindigt, deze zevendelige reeks, toch wil je blijven kijken. Dat is op zich al een krachttoer.