Waarschuwing: dit stuk bevat spoilers, en geen klein beetje.
...

Het is het lot van alles wat boven de middelmaat uitsteekt: de kritiek wordt scherper en richt zich op de kleinste details. De ploeg van Tabula rasa had de lat zelf zo hoog gelegd dat ze er onvermijdelijk nu en dan onderdoor ging in plaats van erover. Malin-Sarah Gozin, Veerle Baetens en Christophe Dirickx gooiden naast de rode draad zoveel lijnen uit in het scenario - de vader met alzheimer, de moeder met aandachtsneurose, de relatietherapie tussen een koppel dat niet zomaar naast elkaar leefde, maar waarin de afstand planetaire proporties had aangenomen, de obsessies met cijfers, het archetype van de gruwelijke boswachter - dat het een duizelingwekkende klus was om ze stuk voor stuk tot het einde toe af te rollen en ze vervolgens te verstrengelen. Dat is ook niet gebeurd. Een groot deel van het verhaal bleef onafgewerkt en onverteld, sommige elementen doken in een aflevering op om nauwelijks nog van belang te zijn in een volgende. Soms werd nogal kwistig met zulke losse flodders geschoten. Zo vergde het enige goede wil om te aanvaarden dat Mie D'Haeze in de voorlaatste aflevering plots bij een patiënt met Marokkaanse roots aan tafel schoof om diens moeder verpulverde slaappillen te laten drinken terwijl die man nooit eerder in beeld was geweest. Andere zaken werden dusdanig voor alle mogelijke interpretaties opengelaten dat het gissen bleef of ze er waren voor het verhaal, de sfeer, de esthetiek of een onduidelijke mix van die drie. Ik kon bijvoorbeeld best sympathie opbrengen voor het horrorhok van de boswachter, maar het was net iets te opzichtig als doodlopend spoor. Dat is het risico van flirten met vele genres en personages: dat uiteindelijk de dwang van de plot het haalt op iedere poging tot onduidelijkheid. Een verhaal voor een groot publiek kan maar beter ergens landen, de voetjes terug op de grond, in plaats van te blijven zweven tussen droom en werkelijkheid, tussen gruwelijke fantasie en reële horror. Het maakte het verschil tussen de laatste aflevering en alles wat eraan voorafging nog groter: met een telefoontje, met een blik op de gele letters in schuimrubber aan een sleutelhanger werd het doek van het mysterie geworpen en werd in een gulp van flashbacks de ontknoping over de kijker uitgestort. Zo slepend traag als alles tot dan was opgebouwd, in zo'n sneltreinvaart werd het nu afgehaspeld. De dokter was al die tijd niet geweest wie ze beweerde te zijn. De wolf in schapenvacht was een afgewezen vrouw, een bedrogen minnares, verteerd door jaloezie. De hele ontknoping leek uit de lucht te vallen. En bij alles wat uit de lucht valt, denkt een mens: waren er echt geen aanwijzingen geweest? Had ik dit niet een heel klein beetje kunnen voorspellen? Het is een normale reflex, we willen weten waar we ons om de tuin hebben laten leiden, maar opnieuw: zodra de clou de essentie wordt, vergeten we misschien naar een miljoen details te kijken. Want ja, de scenaristen hadden kwistig krijtpijlen getekend om een richting aan te geven. Het meest zichtbare - en misschien daarom het minst opgemerkt - waren de kleuren. Geen van de kleuren was toevallig gekozen. En wie ooit Hitchcocks Vertigo gezien heeft, kon vermoeden dat die dokter met haar eeuwig groene kleren, haar groene notitieboekje en de groene beschermhuls rond de gsm die ze Mie overhandigde daar niet alleen was uit professionele bezorgdheid. De wraakgodin hult zich wel vaker in het groen. Mie droeg dan weer altijd wit, Benoit vooral zwart, Romy rood en de moeder geel. Kleuren met een betekenis, maar je kon er makkelijk naast kijken omdat er zo veel was om je blik op te richten. Want dat was het wonderlijke, volgens sommigen enerverende en zelfs irritante aan deze reeks: ze was met zo'n tederheid, zo'n nauwkeurigheid, zo'n liefde voor de film en zijn geschiedenis in beeld gebracht dat de visuele pracht soms te veel en te groots was om te behappen. Kleine scènes werden parels. Met als uitschieter: het Halloweenfeest bij de familie D'Haeze. Maar ook de container waarin Thomas De Geest zijn eigen universum had gecreëerd, een hol waarin hij zijn wonden kon likken, omringd door al die spullen die mensen ooit betekenis hadden gegeven maar die ze nu waren vergeten - van kamerplanten over geurdennen tot knuffels. De grens tussen overvloed en te overvloedig is een dunne, nauwelijks te omschrijven lijn. De scenaristen en regisseurs van Tabula rasa kozen ervoor om alles wat ze in de kast hadden er ook met brede gebaren uit te halen. Dromen, angsten, favoriete auteurs en films - The Shining, Lost Highway en minstens tien obscure werken waarvan ik de naam niet eens ken - alles werd in de reeks verwerkt. Het zorgde soms voor ademnood en voor duizeligheid. Alsof je in cirkels draaiend omhoog naar de plafondschilderingen van een barokke kerk staart. Opnieuw, ik besef het, dat is detailkritiek. Want precies op de momenten dat het makkelijk was geweest alle registers open te trekken - tijdens de familiereünies waar alle wanverhoudingen op tafel kwamen te liggen - werd heerlijk beheerst gespeeld. Ook dat was Tabula rasa: een serie waarin acteurs de ruimte kregen om personages leven in te blazen. Peter Van Den Begins Vronsky was fenomenaal, maar dat gold evenzeer voor de emotioneel verstrikte Benoit die Stijn Van Opstal neerzette of de Rita met goede bedoelingen van Hilde Van Mieghem. Al blijf ik het gevoel hebben dat het geheel nog beter geweest zou zijn als zowel de scenaristen als de regisseurs het aangedurfd hadden een van hun visuele stokpaardjes of fantasieën te vermoorden. Kill your darlings, weet u wel. Het encyclopedische gehalte van Tabula rasa was soms te sterk om de emotionele rollercoaster die de reeks was erbij te nemen. Toen Rita bekende dat Mies vader niet haar echte vader was, kon ik enkel denken: ook dat nog. Trop kan al eens te veel zijn. Maar de eerlijkheid gebiedt me daaraan toe te voegen: ik wil meer van dat. Want kwalitatief was Tabula rasa ronduit straf.