Als je leven verfilmd zou worden, welke scènes moeten er dan zeker in? Deze zomer schrijven bekende medemensen het scenario van hun leven.
...

Nu ze erover nadenkt, hier, in de keuken van haar huis in Edingen, is hij er altijd geweest, ergens in de hoek van haar gezichtsveld, hoog boven haar zodat ze nekpijn kreeg van ernaar te staren, of in de verhalen uit het beroepsleven die thuis verteld werden: de toren van de VRT. Ze is een kind van de openbare omroep. Haar beide ouders werkten er - haar moeder tot het einde van haar loopbaan, haar vader minder lang - ze ging er naar de kinderopvang en dwaalde er door de gangen. Ondertussen werkt ze op dezelfde verdieping als die waar haar moeder archieven uitploos voor de historische programma's die ze regisseerde. 'Dan denk ik: nu zit ik daar, alsof het voorbestemd was. Terwijl het dat helemaal niet was. Zoals wel meer zaken in mijn leven is mijn loopbaan me eerder overkomen dan dat ze een streefdoel was. Ambitie is een beest dat me vreemd is.' Het wonderlijke van drijvend in het leven te staan, van net voldoende weerstand te bieden om niet ongecontroleerd meegesleurd te worden, is dat uiteindelijk alles altijd in zijn plooi valt. Vijf jaar geleden liet Ayco Duyster het laatavondprogramma met haar familienaam achter om de overstap naar Radio 1 zo zuiver mogelijk te maken en een streep te trekken onder haar jaren op Studio Brussel. Ondertussen is de vraag toch weer opgedoken. Of ze geen zin had om? Coronatijden doen mensen verlangen naar wat waardevol is, meent ze. En dus wordt na de zomer Duyster weer opgestart. Terug van weggeweest. Niet uit nostalgie, maar omdat het misschien wel spijtig is om wat goed is verloren te laten gaan. 'Ik ben radio beginnen te maken omdat ik zot was van muziek. Dat is nog altijd niet veranderd. Wat een prachtig geschenk is dat niet, mogen bezig zijn met wat je liefhebt.' Ja, ze prijst zichzelf gelukkig. Ook omdat ze anders dan jonge mensen aan het begin van hun carrière niets meer te bewijzen heeft. 'En ik heb in alle rust kunnen groeien. Eppo Janssen, de muzieksamensteller van Duyster, en ik hebben ons kunnen ontwikkelen samen met het programma en de luisteraars. Dat was comfortabel en kun je je nu soms moeilijk voorstellen. De druk op radiomakers is tegenwoordig veel groter. Je moet een uitstraling hebben, een stem worden op sociale media, je volgers onderhouden... Ik ben radio beginnen te maken net om niet in de spotlights te staan. Dat is amper nog mogelijk. Ik vraag het me soms af: mocht ik nu 25 zijn, zou ik dan dezelfde keuze maken?' 'Ik noem dit mijn Hollandse periode. Vanaf het derde leerjaar stuurden mijn ouders me naar de Nederlandse school in Brussel, een kleine school in de schaduw van het Jubelpark. In mijn herinnering is het een idyllische plek, verborgen achter twee huizen in vakwerk in een typische Brusselse straat. Tot dan zat ik op een traditionele school. Als je te veel babbelde in de les, moest je vooraan gaan staan met een rode tong om je nek. Een keer werd een kind aan zijn stoel vastgebonden omdat hij niet kon stilzitten. 'Ik heb daar geen trauma's aan overgehouden, maar mijn ouders hadden er wel moeite mee hoe die school en de leraren daar hun autoriteit afdwongen. Het was niet hun manier van opvoeden en dus verhuisde ik naar de Nederlandse school. We werden Nederlandse kinderen in Brussel. Een beetje zoals mijn vader, die als kind van Haarlem naar Brussel was verhuisd. 'Ik speelde hockey en in de zomer gingen we met een Nederlandse organisatie op kamp naar Terschelling. Zonder warm water, de wc was een plank met een gat, maar ik ervoer voor het eerst een vorm van pure vrijheid waar ik altijd van genoten heb. Binnen de gemaakte afspraken was alles mogelijk. We waren kinderen van negen, tien, elf jaar en holden vrij door de duinen. We zwommen naakt, leiding en kinderen door elkaar. Niemand stelde dat in vraag, wij vonden dat normaal. Soms denk ik dat ik als kind een vrijheid heb gekend die niet langer vanzelfsprekend is.' 'We groeiden op met Wham!, Duran Duran, Madonna, Culture Club. Ik vond dat niet slecht, maar ben heel snel op zoek gegaan naar uitdagender muziek. Tweedehandswinkels afschuimen om platen te kopen, het gevoel hebben zelf bands te ontdekken, los van wat je overal hoorde of wat iedereen kende. Ik heb altijd ook een fascinatie gehad voor subculturen. Eind jaren tachtig was dat sterk aanwezig. Op school had je de newwavers, de punkers, de snobs. Je was het ene of het andere. Ik heb me nooit tot een subcultuur bekend. Ik had geen neusring, heb geen tatoeages, maar ik deelde wel het verlangen naar andere, ruigere, weerbarstiger muziek. 'Mijn beste vriendin was een Amerikaanse. Ze had een oudere broer die het prima vond twee meisjes van veertien op sleeptouw te nemen naar concerten. Het maakte allemaal indruk. De eerste concerten in de AB, Faith No More in een obscuur zaaltje in Dendermonde. De energie van Jane's Addiction in een club in een voorstad van Los Angeles, waar ik samen met mijn vriendin de vakantie doorbracht. We waren piepjong, veel te jong om in die club te zijn, misschien daarom ook dat de impact zo groot was. Jane's Addiction had iets wilds, iets gevaarlijks. Dat trok aan. 'Even snel werd duidelijk dat ik meer muziekbelever dan speler was. Ik had een drumstel thuis. Vrienden vonden het wel cool om een vrouwelijke drummer te hebben. Ik heb dat geprobeerd, maar voelde al snel dat mijn talent daar niet lag. Sommigen trokken zich daar niets van aan. Die zongen zonder te kunnen zingen, ramden op gitaren zonder echt te kunnen spelen. Ik miste de drive om ervoor te gaan. 'Wat ik dan wel wilde? Ik heb het heel lang niet geweten. We waren daar niet zo mee bezig. We wilden ervaringen opdoen, dingen meemaken, maar verder? We kenden dat niet, brandende ambitie. Ook dat is een verschil met nu. Ik heb alles wat op me af laten komen en dat heeft wel gewerkt. Jonge mensen kijken vreemd op als ik dat vertel. "Je had geen idee over je carrière? Geen stappenplan?" Eerlijk? Nee. Ik hield van muziek. Dat was het. 'Op mijn zeventiende wist ik wel een ding: ik wilde naar Amerika. Mijn droom was volledig gebaseerd op wat ik in de cinema zag. De cultuur van de Amerikaanse high school, zoals in Fame of The Breakfast Club. Een campus met sportclubs, muziekbands, schoolballen... Vanuit een grote Europese stad belandde ik in een landelijk stadje met citrusplantages en uitgestrekte weides waar cowboys de koeien hoedden. Op het platteland van Californië. Ik vond het allemaal fantastisch. Ik was daar voor nieuwe, onbekende ervaringen en dat zou daar geen probleem zijn. 'Maar het was ook het jaar van de Eerste Golfoorlog. Veel gezinnen zagen hun zonen naar het leger vertrekken. Om aan hen te denken en hen te eren knoopten ze gele lintjes rond de bomen in hun voortuin. De oorlog zelf volgden we op televisie. De bombardementen werden live uitgezonden. Het was de eerste oorlog die op een videospel leek. 'Internet bestond nog niet. Intercontinentaal telefoneren was veel te duur. De brieven die mijn vader schreef, deden er twee weken over om mij te bereiken. Het voordeel was dat ik me helemaal kon loskoppelen van thuis. Ik was in de Verenigde Staten om een ander leven mee te maken. Zo bezocht ik met mijn gastgezin wekelijks een andere kerkdienst. Hun vertrouwde kerk was gesplitst en ze zochten een nieuwe groep waar ze zich bij konden aansluiten. Ken je die fotoreeks die Raoul Dekeyser maakte over kerken in de Verenigde Staten? Ik heb het allemaal gezien. Kerken waar je enkel a capella mocht zingen, kerken waarin vooral over de duivel werd gesproken, kerken met een aquarium vooraan waarin mensen gedoopt werden, mensen die in tongen spraken. Ik ben niet religieus opgevoed, maar ik vond het een boeiend sociaal experiment. 'Alle breuklijnen die de voorbije jaren in de Verenigde Staten aan de oppervlakte zijn gekomen, waren toen al aanwezig. Het geweld, de wapendracht, het racisme... Het sluimerde toen, zat onderhuids. Je zag geen mensen openlijk met wapens rondlopen, op school waren er nog geen metaaldetectoren. Maar in Los Angeles braken wel rellen uit na de dood van Rodney King. En ook de tegencultuur was al aanwezig. Mijn vrienden in de VS waren activistischer en geëngageerder dan wij. Ze deden vrijwilligerswerk, hielpen bij soepbedelingen, boden hulp aan kwetsbare mensen via de sociale netwerken van kerken. Hier leek dat niet nodig. Wij zijn anders georganiseerd, dacht ik altijd, de zaken zijn hier beter geregeld. Toen. Ook dat is niet langer zo.' 'Mijn geluk is dat ik 27 jaar ben moeten worden om voor het eerst te ervaren wat verlies betekent. In 2000 is alles voor mij gekanteld, maar niet in de richting die ik verwachtte. Ik had al zeven jaar een relatie, we hadden samen gestudeerd, we woonden samen en in mijn hoofd waren we klaar voor een volgende stap. Mijn 27e zou mijn omslagpunt worden. In de popmuziek was het een bizarre, magische leeftijd, mijn moeder had haar eerste kind gekregen op haar 27e, het leek een leeftijd waarop alles anders moest worden. 'Dat werd het ook. "Ik ben verliefd op iemand anders", zei mijn lief. Een week later had hij zijn spullen gepakt en was hij verhuisd. In plaats van vooruit te gaan stond ik terug bij af. Alleen. Een beetje stuurloos, ook. 'Tegelijkertijd kreeg ik meer ruimte en kansen op de radio. Tot dan had ik de job van tourmanager voor choreografe Meg Stuart gecombineerd met radiopresentatie. Die zomer moest ik kiezen. Verder in de cultuursector of voltijds radio. Het werd het tweede. Een droombaan, absoluut, maar die zomer beleefde ik als in een waas. Sonic Youth, mijn lievelingsband, gaf een uniek concert in de AB. Ik keek ernaar, maar ik zag het niet, ik was er niet, ik voelde het niet. 'Ik kreeg het ook niet uitgelegd. Het verdriet, het verlies en de pijn. "Je bent sterk, je komt er wel uit", kreeg ik steeds weer als goedbedoelde raad te horen. Natuurlijk, dat zal wel zo zijn. Maar ik had daar niets aan, aan die opmerkingen. Dat heb ik onthouden. Je hoeft je niet sterk te houden. Verleden jaar bij de dood van Christophe Lambrecht heb ik dat opnieuw ervaren. Dat is gewoon vreselijk. Het is prima om je samen slecht te voelen.' 'Mijn huwelijk is het resultaat van een zatte avond in een Frans skidorp. Onze kinderen vinden het een onwaarschijnlijk grappig verhaal. Er was niets romantisch aan. Het was een van de eerste snowcases die Studio Brussel organiseerde: skiën met luisteraars die een wedstrijd hadden gewonnen. En alle presentatoren moesten mee omdat we 's avonds uitzonden in een après-skibar. 'De avonden eindigden altijd in feestjes waarbij we naar de enige discotheek van het dorp trokken en daar de dj-set overnamen. Plots stond ik te kussen op de dansvloer. Met een onbekende luisteraar. Helemaal niets voor mij, maar de Franse Alpen doen rare dingen met een mens. 'Op de bus naar huis dacht ik: "Dit is het. We zien elkaar nooit meer terug. We vergeten wat gebeurd is." Maar heel snel kreeg ik een mail. Van Jo. Of ik niet wilde afspreken? Ik twijfelde. Want er speelde nog iets anders. We hadden allebei onze verjaardag gevierd op die skireis. Ik mijn 29e, hij zijn twintigste. Ik werkte al, hij studeerde nog. "Je mag die jongen dat niet aandoen", zeiden mijn ouders. 'We spraken af, leerden elkaar kennen en hij liet er geen twijfel over bestaan: hij was verliefd op mij. En hier zijn we dan. Achttien jaar en twee kinderen later. '"Nog altijd samen?" krijg ik wel eens te horen van artiesten die toen mee waren in Frankrijk. "Nog altijd samen."'