'We zijn verkocht voor een zak kolen', vat Antonio Andronico zijn familiegeschiedenis samen in de eerste aflevering van Kinderen van de migratie. Zijn grootvader vertrok na de Tweede Wereldoorlog vanuit Italië naar België, waar hem een riant loon, een huis en nog wat extraatjes beloofd werden. Hij zou er in de Limburgse mijnen gaan werken, waar de steenkool en masse uit de grond moest gehaald worden om de economie te doen draaien. Toen de Duitse krijgsgevangenen niet meer ingezet konden worden, sloot de toenmalige eerste minister, Achiel Van Acker - bijnaam: Achilles Charbon - een deal met Italië: per duizend geleverde arbeiders kreeg ...

'We zijn verkocht voor een zak kolen', vat Antonio Andronico zijn familiegeschiedenis samen in de eerste aflevering van Kinderen van de migratie. Zijn grootvader vertrok na de Tweede Wereldoorlog vanuit Italië naar België, waar hem een riant loon, een huis en nog wat extraatjes beloofd werden. Hij zou er in de Limburgse mijnen gaan werken, waar de steenkool en masse uit de grond moest gehaald worden om de economie te doen draaien. Toen de Duitse krijgsgevangenen niet meer ingezet konden worden, sloot de toenmalige eerste minister, Achiel Van Acker - bijnaam: Achilles Charbon - een deal met Italië: per duizend geleverde arbeiders kreeg het land vijfduizend ton steenkool. De belofte van Van Acker draaide voor velen al snel uit op een ontgoocheling. Het beloofde huis was nog niet gebouwd - het was niet duidelijk of het ooit gebouwd zou worden - en dus sliepen de eerste Italiaanse arbeidsmigranten in de voormalige barakken van de Duitse krijgsgevangenen. Ook het loon bleek een pak lager dan wat arbeiders als Andronico's grootvader voor ogen hadden. Enkele voormannen slaagden erin naast steenkool ook wat geld te scheppen, maar voor vele Italianen was er lange tijd geen plaats vooraan. Ze werden zo goed als niet opgeleid en kregen zelfs amper veiligheidsvoorschriften mee. De eerste tien jaar na de oorlog vielen er meer dan duizend doden in de mijnen, van wie de helft Italianen. Als Luciano Corsini aan die periode terugdenkt, voelt hij de woede opborrelen in zijn borst. Ook journalisten hadden in die tijd weinig aandacht voor wat zich in de mijnen afspeelde. Of de buitenlanders wel even goed werken als de Vlamingen, wilden de reporters van dienst vooral weten.Op 8 augustus 1956 lieten enkele honderden Italianen het leven bij de mijnramp van Marcinelle. Het drama had vermeden kunnen worden als men meer geld had uitgegeven aan een veilige infrastructuur, zegt Corsini. Je zou denken dat mijnbazen na zo'n ramp verplicht worden om de erbarmelijke werkomgeving aan te pakken. Maar toen Italië de uitwisseling opzegde, knoopte de Belgische regering simpelweg banden met andere landen aan. Spanje, Griekenland, Marokko, Turkije: overal hebben mensen wel redenen om hun koffers te pakken. Op de vlucht voor armoede, of voor het regime. En de bedrijven zelf? Die waren blij met al die arbeidskrachten. Het leven van de migrant is zelden een sprookje. Neem het verhaal van de moeder van Naget Dahmany. Toen haar man het werk bij Métallurgie Hoboken niet meer aankon, werkte ze 's nachts in een visfabriek en overdag als poetshulp. 'Eén zekerheid hield me overeind', zou ze later aan haar dochter vertellen, 'als ik het opgeef, zijn we allemaal verloren'. 'De eerste generatie heeft haar missie volbracht', zegt Abdellah Zahnoun op het einde van de aflevering. Toen zijn vader in België aankwam, kon hij niet lezen of schrijven. Hij had geen connecties en vond niet meteen werk. Het waren bittere jaren, zowel voor hem als voor zijn familie in Marokko, vertelt Zahnoun. Er blinken tranen in zijn ogen.