'Ze hebben mijn naam juist geschreven. Thanks O.J.'
...

'Ze hebben mijn naam juist geschreven. Thanks O.J.' O.J. is Otto-Jan Ham en de man die hem bedankt, is de Amerikaanse singersongwriter Jonny Polonsky, wiens naam vaak geschreven wordt als Johnny Polonsky. Als hij al geschreven wordt, want Polonsky is het soort artiest bij wie het talent niet ontbreekt maar de grote doorbraak uitbleef. Otto-Jan Ham was achttien toen hij het debuutalbum van Polonsky, Hi My Name is Jonny, hoorde in een Brusselse platenwinkel, tien nummers samengebald in nog geen half uur die bijna alle stijlen in de rock- en popgeschiedenis bestrijken. Ham werd weggeblazen en zoveel jaar later, op de grens van de midlifecrisis, wil hij weten hoe het zijn held van toen vergaan is. Hij googelt. Polonsky maakt nog muziek, zo blijkt, alleen is het succes vooral in beperkte kring te situeren. Ham besluit Polonsky naar België te halen en een tour te organiseren. In de stoute droom die hij voor zichzelf verzint, wil hij Polonsky redden van de vage onbekendheid waarin die verzeild is geraakt. Polonsky zal een succesvol artiest worden en Ham zijn even succesvolle tourmanager/ontdekker. Zoiets. Om niet halverwege op te geven, verplicht hij zichzelf het allemaal te filmen, met de hulp van Sjoerd Tanghe. Polonsky landt op Zaventem, omhelst Otto-Jan want dat mocht toen nog en vanaf dan daal je als kijker af in de spelonken van het ongemak die minstens twee derde van het brein van Ham inpalmen. Ham is een man die het goed wil doen en doodsbang is dat wat hij goed vindt voor anderen net heel erg fout is. 'Hij lijkt altijd zo nerveus', zal Polonsky op een bepaald moment hoofdschuddend zeggen. 'Arme stakker.' Een uur lang, de duur van de film, zie je Ham zichzelf afvragen of waar hij mee bezig is wel zo'n geweldig idee is, of Jonny gelukkig is, of hij meer kan doen, moet doen. Hij bijt op zijn nagels in de donkere hoeken van de vaak mistroostige zalen die hij heeft vastgelegd, en stilzwijgend vraagt hij zich af of hij er niet gewoon de stekker moet uittrekken. In plaats daarvan schakelt hij een versnelling hoger en stelt hij Polonsky voor om samen op te treden. Jonny als zanger, O.J. op de bas. Nee, denk je, doe dat nou niet, er is een reden waarom je nooit professioneel bassist bent geworden. Maar Ham heeft Isolde Lasoen en Frank Vander linden al gebeld en met z'n allen zullen ze optreden. Hij als bassist. Man, wat een uitputtingsslag is het om Otto-Jan Ham te zijn. Daar in de aankomsthal van Zaventem leek Polonsky nog blij. En Ham hoopte vooral dat hij blij zou blijven. Blij is hij alvast wanneer hij voor de deur van Café De Kelk in Brugge staat en ziet dat zijn naam juist gespeld is. Met de camera in de hand trekt Polonsky de stad in. Ham loopt met hem mee, blij dat zijn artiest goedgezind is. Met iedere set zal het enthousiasme bekoelen. Waaraan dat ligt, is niet helemaal duidelijk. En natuurlijk breekt Ham zich er het hoofd over. Hij probeert er wel met Polonsky over te praten, maar die gesprekken verlopen nogal moeizaam. Ham is bang om iets verkeerds te zeggen. Polonsky heeft geen zin om zijn ziel bloot te leggen. De laatste set in Leuven, met Ham op bas, dendert als een trein. Polonsky verkoopt veel, telt zijn geld en lijkt ook blij te zijn. Misschien omdat hij de dag erna gewoon naar huis mag? Bedremmeld. Ik vind even geen beter woord om te beschrijven hoe Ham in de vertrekhal achterblijft. En toch, na de film heb ik via Spotify naar Polonsky geluisterd. Onvermijdelijk gleed de vraag in mijn hoofd die ook als een ongrijpbare aal door de film glibbert. Waarom heeft hij het nooit gemaakt? Of zegt dat net iets over het beeld dat we hebben van succes? Thanks O.J., voor dit portret.