Bij mijn grootvader lag de kolonie op de kast, in de vorm van een bewerkte slagtand van een olifant. Van zijn oudste zoon gekregen, die na de Congolese onafhankelijkheid als leraar het afgebroken beschavingswerk in de verloren kolonie verderzette. Dat de woonomstandigheden van een leraar er net iets rijkelijker waren, was daarbij handig meegenomen.
...

Bij mijn grootvader lag de kolonie op de kast, in de vorm van een bewerkte slagtand van een olifant. Van zijn oudste zoon gekregen, die na de Congolese onafhankelijkheid als leraar het afgebroken beschavingswerk in de verloren kolonie verderzette. Dat de woonomstandigheden van een leraar er net iets rijkelijker waren, was daarbij handig meegenomen. Elders in de woonkamer van grootvaders appartement met zicht op zee stonden twee Afrikaanse beeldjes, een naakte vrouw met hangende borstjes en een man met een piemel als een bordenwisser. Mijn grootvader was een trotse Vlaming met een duidelijk beeld van wat cultuur was en wat niet. Het recht om de eigen cultuur te beleven was voor hem heilig. Twintig jaar na het vastleggen van de taalgrens kon hij nog steeds steigeren als hij bij een Franstalige een superioriteitsgevoel ontwaarde. Geen volk, zo meende hij vanuit de grond van zijn hart, had het recht een ander volk te overheersen, te kleineren of uit te buiten. Dat was niet de reden waarom hij die beelden in zijn woonkamer hield. Want wat een Franstalige niet mocht tegenover een Vlaming, mocht een Vlaming best tegenover een Congolees. Die hele kolonisatie was het beste wat Congo overkomen was. Zij hadden geloof en beschaving gekregen in ruil voor grondstoffen die ze toch niet konden verwerken. Win-win, zou men nu zeggen. Of ze dan geen recht op zelfbeschikking hadden, heb ik hem ooit gevraagd. Natuurlijk, meende hij, maar een volk moet dat ook aankunnen. Hij heeft me proberen uit te leggen wat nu precies het verschil was tussen een Vlaming en een Congolees, maar ik heb het nooit helemaal begrepen. In Kinderen van de kolonie hoorde ik flarden terug van hoe ook hij dat hele koloniseringsidee had goedgepraat en gerelativeerd. 'Waren we geen bezetters? vroeg André, een voormalig districtshoofd, zich af. Hij moest toegeven dat hij de Duitse bezetting had gekend, dat hij ervaren had wat het betekende om niet langer vrij te zijn. 'Je moest oppassen om daar geen misbruik van te maken', maar, voegde hij er even later aan toe, die zwarten mochten ook van geluk spreken, want zonder de Belgen waren ze misschien opgepeuzeld door een andere stam. Het waren mensen, zeker, daarover was iedereen het eens, maar ze waren wel hemeltergend primitief. Met amper 1800 waren ze, de ambtenaren die de kolonie beheerden en administratief in goede banen leidden. Ze legden wegen aan, bouwden scholen en ziekenhuizen. Nee, niet zijzelf, zo verduidelijkte Titine, weduwe van een districtshoofd, de werkwijze van ook haar man. 'Dat liet 'm allemaal doen door zwarten.' Veel keuze hadden de Congolezen daarbij niet. 'Ze moesten wel gehoorzamen', vatte Titine het samen. Staat, kerk en bedrijf. Dat waren de drie steunpilaren van het koloniale systeem. De staat legde iedere bewegingsvrijheid aan banden, het bedrijf haalde uit het land wat er te halen viel en de kerk roeide het heidendom uit en installeerde zichzelf in de plaats. 'Het was geen vreemde godsdienst', had Geneviève, de weduwe van een ander districtshoofd, daarover te melden. 'Het was een universele godsdienst die nooit is opgelegd, wel aangemoedigd.' Tegenover iedere stem van de kolonisator had Kinderen van de kolonie een stem van een Congolees geplaatst. Zo vertelde Pierre hoe hij de afgodsbeelden die werden verzameld door de paters, omdat ze fout en godslasterlijk en duivels waren, later terugzag. In het Afrikamuseum in Tervuren, in antiekzaken en in de woonkamers van gewone Belgen. Als Kinderen van de kolonie één ding leert, dan wel dat er nog een pak onafgewerkte geschiedenis op de plank ligt.