'Als je dit overleeft en je kan naar huis, wat zal je dan vertellen?'
...

'Als je dit overleeft en je kan naar huis, wat zal je dan vertellen?' Met een cynisch, sadistisch genoegen vroeg de kampcommandant van Auschwitz het aan de latere nazi-jager Simon Wiesenthal. Die aarzelde. Was er een goed antwoord? En wat zou dat antwoord hem kosten? 'De waarheid', zei hij ten slotte. De kampcommandant barstte net niet uit in een schaterlach. 'Niemand zal je geloven.' Norbert Vos vertelt de anekdote met zakelijke nauwkeurigheid in Kinderen van de Holocaust. Hij werd geboren in 1941, het jaar waarin de Duitse bezetter ook in België gruwelijk efficiënt het net rond de Joden aanspande, met verplichte medewerking van diezelfde Joden. Zo doortrapt en pervers waren de nazi's wel. Ze waren er meesters in van hun slachtoffers handlangers in de horror te maken. Er werden overal Jodenraden opgericht, schijnbare adviesorganen die de Joden in ieder land in kaart brachten. De leden van de raad namen hun taak ter harte, in de hoop op wat erbarmen en mededogen. In werkelijkheid legden zij dodenlijsten aan. 'Wij hebben het overleefd', zegt Vos met ingehouden felheid. 'Wij zijn hier om te vertellen wat jullie gedaan hebben.' Nog steeds grijpen de verhalen naar de keel. De efficiëntie van de ontmenselijking en de vernietiging blijft moeilijk voorstelbaar, net als de gedachte dat het op zo'n grote schaal kon gebeuren, met medeweten van zo veel anonieme welwillenden. Maar het was wel zo. Het is gebeurd. Al voor het begin van de Tweede Wereldoorlog hadden de Europese landen de Joodse vluchtelingen de rug toegekeerd. In 1938 kwamen die samen om zich over het 'Joodse vluchtelingenvraagstuk' te buigen. Men was vooral bang voor een aanzuigeffect. Hoe meer men er opving, hoe meer men er zou aantrekken en dus sloot men de ogen en de grenzen. Het kan een les zijn. Het is niet zeker of het er een is. Het is misschien wel de grootste kracht van de getuigen in Kinderen van de Holocaust. Ze zitten daar niet om de kijker de les te lezen. Ze vertellen hoe het was. Over wat ze wisten en voorspelden. David Wagman was een kind in Schaarbeek toen de nazi's België binnenvielen. Aan tafel hoorde hij de angst in de stemmen van de volwassenen. 'We wisten wat er zou gebeuren', vertelt hij. 'De teksten lagen klaar. Ze moesten gewoon vertaald worden.' Vos somt ze systematisch op. Joodse mensen mochten niet meer werken. Joodse mensen mochten niet meer gaan zitten in de tram. Joodse mensen mochten niet meer naar het theater, een concert of de opera. Joodse mensen mochten geen mens meer zijn. 'Het wordt erg voor u', kregen ze van meelevende burgers te horen. 'Je moet weggaan.' Dat werd geprobeerd. Meestal liep de vluchtweg dood. De vader van Eva Fastag was van Polen naar Antwerpen verhuisd met de bedoeling zo snel mogelijk naar de VS te vertrekken. Dat is niet meer gelukt. Fastag werd in Warschau geboren, in 1917. Ze is de oudste getuige in de reeks. Ze heeft het allemaal meegemaakt. De vernietiging van de synagoge in Antwerpen na de vertoning van De eeuwige Jood. De stilte van de toekijkende massa. Maar ook de tekenen van verdoken verzet. 'Op mijn werk mocht ik de ster niet dragen', vertelde ze. 'Hier is iedereen gelijk', zei haar baas. Het waren kleine uitingen van weerstand. Onvoldoende om de industrieel georganiseerde transportband richting de moordfabrieken van de nazi's te stoppen. Maar het zijn ook nu, meer dan zeventig jaar later, flikkeringen van hoop. De mens kan een beest zijn voor een ander. Hij kan ook mens blijven. Het is een keuze. Kinderen van de Holocaust maakt het drieluik over de Tweede Wereldoorlog akelig compleet.