De nieuwe drugshond van de politie van de Amerikaanse stad Flint heet Sonitrol. Dat is de naam van een alarmsysteem. Het zou een uiting van originaliteit kunnen zijn, maar het is vooral een vorm van product placement en return on investment. De politie van Flint heeft zo weinig geld dat ze de naam van de drugshond die dringend nodig was per opbod verkocht. Sonitrol bood het hoogst. Wie arm is, kan maar beter vindingrijk zijn.
...

De nieuwe drugshond van de politie van de Amerikaanse stad Flint heet Sonitrol. Dat is de naam van een alarmsysteem. Het zou een uiting van originaliteit kunnen zijn, maar het is vooral een vorm van product placement en return on investment. De politie van Flint heeft zo weinig geld dat ze de naam van de drugshond die dringend nodig was per opbod verkocht. Sonitrol bood het hoogst. Wie arm is, kan maar beter vindingrijk zijn. Niet dat Flint geen politiebudget nodig heeft. Wie zich een beeld wil vormen van de Amerikaanse droom die een nachtmerrie werd, moet naar Flint. Ooit was het de stad van General Motors, de stad die het wiel uitvond. Er waren arbeidsplaatsen bij de vleet en elk van die arbeiders kon zich een prachtig houten huis in een tuinwijk veroorloven. Maar toen kwam wat men in Flint 'de grote verandering' is gaan noemen. Of 'de krimp'. De oorzaken lagen niet eens in Flint, die situeerden zich op een vaag omschreven wereldmarkt. Van economische voorloper werd Flint in een oogwenk een rode lantaarn. De vrijstaande huizen in het groen verloederden, bij een gebroken raam belde men bij wijze van besparing niet langer de glazenmaker, maar zette men een houten paneel in de plaats. Sonitrol had men nooit nodig gehad en nu men het misschien kon gebruiken, had men er het geld niet voor. Want van modelstad voor economische groei werd Flint ook modelstad van kleine criminaliteit. Het gemiddelde inkomen per huishouden schurkt er tegen de armoedegrens aan en men telt er het hoogst aantal schietincidenten per inwoner. Alsof dat nog niet genoeg drama is voor een stad, besloot de burgemeester in 2014 het drinkwater goedkoper te maken door de oude toevoer opnieuw in gebruik te nemen. Wat hij niet wist, was dat het water door slecht onderhouden loden buizen naar de huizen stroomde. Misschien wist hij het wel, maar hoopte hij dat niemand het zou merken. In ieder geval: niemand weet hoe lang de inwoners van Flint van het met lood vergiftigde water hebben gedronken. De besparing werd duur betaald. Twee jaar lang reed een reportageploeg met de agenten van het veel te kleine politiekorps mee. De makers hadden geen beter gezichtspunt kunnen kiezen. In Flint zijn agenten geen helden: wat ze doen, is altijd te weinig en wat ze niet doen, wordt uitvergroot. De meesten houden het vijf jaar vol. Dan is het op. Maar de agent is - of hij dat nu wil of niet - het oog van de stad. Hij ziet veel. Bijna alles. Het resultaat is een ijzingwekkende blik op achteruitgang, op een gemeenschap die uit elkaar valt, op mensen die krabbelen om overeind te blijven, op de boosheid van wat 'de slachtoffers van de globalisering' heet. Dit is het Amerika dat president Trump heeft gebaard. De jonge politieagente Bridgette Balasko was amper een dag aan het werk of ze werd geconfronteerd met haar eerste lijk. Nu knippert ze nauwelijks nog met de ogen als ze weer een lichaam op een oprit vindt. Haar familie verklaart haar voor gek dat ze in Flint wil blijven werken. Zij twijfelt voorlopig niet. Al weet ze dat haar keuze om agent in Flint te blijven ook een keuze is om nooit een eigen gezin te stichten. 'Dit leven kun je anderen niet aandoen.' Ze zegt het terwijl ze met haar vork in haar opgewarmde maaltijd prikt. Flint Town is een documentairereeks waarvan je zou willen dat het fictie was, in kleine porties te verteren, maar dan nog zou het diepmenselijke leed en de onmacht zwaar op de maag blijven liggen. En toch, alsof de mens onkruid is: zelfs als er een containerlading aan miserie op zijn schouders rust, vindt hij ergens de kracht om die schouders te rechten en door te gaan.