Daar zaten ze. Twee Palestijnse vrouwen met de leeftijd van grootmoeders die herinneringen ophaalden aan de tijd toen ze nog jong waren. Alleen hadden deze vrouwen, Leila Khaled en Umm Al-Abed, het niet over de typsiche zaken waar nostalgische gesprekken over gaan - onbeantwoorde jeugdliefdes, een reis die men samen maakte of fijne feestjes - maar over de tijd dat ze zij aan zij vochten in het verzet dat toen het Volksfront heette.
...

Daar zaten ze. Twee Palestijnse vrouwen met de leeftijd van grootmoeders die herinneringen ophaalden aan de tijd toen ze nog jong waren. Alleen hadden deze vrouwen, Leila Khaled en Umm Al-Abed, het niet over de typsiche zaken waar nostalgische gesprekken over gaan - onbeantwoorde jeugdliefdes, een reis die men samen maakte of fijne feestjes - maar over de tijd dat ze zij aan zij vochten in het verzet dat toen het Volksfront heette. Hun ogen lichten op wanneer ze vertellen over hoe de acht maanden zwangere Ali gewonden van de straat sleurde. 'Wat als er iets gebeurd was?' wil Phara de Aguirre weten. Bijna laconiek haalt Ali de schouders op. Een kind verliezen, zo stelt ze, is altijd minder erg dan je vaderland verliezen. Uit de plooien van haar lange jurk en vele sluiers diept ze een grote sleutel op. Het is de sleutel van het huis dat ze als kleuter met haar ouders moest verlaten. Het huis bestaat intussen niet meer, maar de droom om ooit terug te keren naar de plek waar ze sinaasappelen van de bomen plukte, zal ze nooit opgeven. Het is haar brandstof voor de strijd. Na meer dan veertig jaar is Leila Khaled nog steeds een begrip en een icoon in de Palestijnse gebieden. Op de muur die Israël moet beschermen tegen Palestijnse bommendragers en gewapende strijders staat een reuzengrote afbeelding van haar. Een voorzichtige glimlach, een felle blik, het geweer voor de borst. Khaled was de eerste vrouw die een vliegtuig kaapte. In de wagen naar de plek in de woestijn waar ze een van die vliegtuigen aan de grond liet zetten, vertelt ze losjes, bijna terloops, dat ze toen tien kilo TNT in haar handtas droeg. Uiteindelijk gooide ze een granaat om de cockpit te laten ontploffen. Strijden is haar recht, meent ze, je zet een mens niet zomaar uit zijn huis. Ook bij haar knaagt de droom om op een dag de plek waar ze geboren werd opnieuw haar thuis te mogen noemen. Nu mag ze door haar verleden zelfs het land niet binnen. In Amazones praat De Aguirre over de hele wereld met vrouwen die de wapens opnemen. Tegen de wet, zoals Khaled, of volgens de wet, zoals de vrouwelijke rekruten die ieder jaar het Israëlische leger binnenstromen. Ook zij strijden in naam van een land waarvan zij vinden dat het hun thuis is, dat het hun toekomt, en menen dat ze alle recht hebben om het te verdedigen tegen eender welk gevaar. De Aguirre luistert, polst en legt stukken van verhalen naast elkaar omdat ze allang niet meer in elkaar passen. Of een gewapende strijd een oplossing dichterbij brengt, vraagt ze voorzichtig aan de moeder van de dochter die zichzelf opblies. Die schudt het hoofd. Niets is het waard om je kinderen te verliezen. Hoe komt het, vroeg ik me af, dat de een de strijd aanbindt en de ander zich concentreert op het uitbouwen van een redelijk leven in onredelijke omstandigheden? Het antwoord kwam ten dele van de nichtjes Janna en Ahed Tamimi. Iedere vrijdag betogen ze mee in hun bezette dorp Nabi Saleh. Alles wat gebeurt, filmen ze met hun telefoons. Alsof de bommen van Khaled vervangen zijn door smartphones. Het leger reageert even agressief. Niet lang nadat De Aguirre met Ahed over haar dorp uitkeek, werd het zeventienjarige meisje opgepakt. Ze had een soldaat geduwd en geslagen. Blote vuisten tegen een wapenuitrusting. Nog steeds zit ze in de gevangenis. Voor ze daar belandde, had ze het erover met De Aguirre. Ze noemde het de prijs die je betaalt voor de keuzes die je maakt en waarvan je weet dat ze de juiste zijn. Ondertussen prijkt ook haar afbeelding op die verdomde muur. Iedere tijd baart zijn iconen.