'Oh, waw, man!'Stephen Bruner alias Thundercat weet niet waar eerst te kijken wanneer we samen The Collector, naast de Beurs in Brussel, binnenstappen. 'You got me tripping, dude', zegt hij, net niet likkebaardend. 'Ik ben verzot op winkels als deze. Het enige nadeel is dat je al die buit ook mee naar huis moet nemen - it's a bitch taking it all home (lacht)'
...

'Oh, waw, man!'Stephen Bruner alias Thundercat weet niet waar eerst te kijken wanneer we samen The Collector, naast de Beurs in Brussel, binnenstappen. 'You got me tripping, dude', zegt hij, net niet likkebaardend. 'Ik ben verzot op winkels als deze. Het enige nadeel is dat je al die buit ook mee naar huis moet nemen - it's a bitch taking it all home (lacht)'Grasduinen door vinyl is voor Thundercat - bassist, zanger, producer - als bladeren door een familiealbum. Vader Ronald Bruner, die drumde bij soulsterren als The Temptations, Gladys Knight en The Supremes, en moeder Pam, een fluitiste, hebben drie muzikale zonen op de wereld gezet. De benjamin, Jameel Bruner (21), fabriceert beats als Tinkaro en maakte tot vorig jaar als toetsenist deel uit van The Internet, het r&b-ensemble van Odd Future-leden Syd en Matt Martians. Eerstgeborene is Ronald Bruner, Jr. (35), net als senior een gevierd drummer. Op zijn cv prijken jazzgrootheden als Wayne Shorter, Ron Carter en Stanley Clarke, maar ook Prince, Stevie Wonder en Erykah Badu. Begin maart verscheen diens eerste soloalbum, Triumph, met bijdragen van onder meer fusiongitarist George Duke en zijn kleine basbroer. Begin jaren 2000 maakten Thundercat en Ronald Jr. enkele jaren deel uit van Suicidal Tendencies. 'Ik zat toen nog op de middelbare school', vertelt Thundercat, 'en ik moest de schoenen vullen van mannen als Robert Trujillo, die na Suicidal Tendencies via Ozzy Osbourne bij Metallica is gaan spelen.' Een harde maar goede leerschool, herinnert hij zich: 'Aan de muziekschool studeerde ik jazz, dus ik was het niet gewend met een plectrum te spelen. Na een weekje toeren zat mijn hand al helemaal in het verband. (lacht) Ik kon het niet laten om mijn eigen geschifte akkoordenschema's in de nummers te smokkelen, of solo's te spelen in tracks als Possessed to Skate. Het werd me door een deel van hun hardcorepubliek niet bepaald in dank afgenomen - ik moest regelmatig schoenen of flessen ontwijken. Maar zanger Mike Muir en gitarist Dean Pleasants moedigden me aan niet te plooien. In zekere zin heb ik in die periode mijn artistieke stem gevonden: zonder hen was ik nooit Thundercat geworden.' Wie Thundercat al live aan het werk zag, kan er niet naast kijken: het indrukwekkende instrument waarop hij zijn vingervlugheid demonstreert, een op maat gemaakte, semi-akoestische Ibanez-bas - met zés snaren. 'Voelt alsof je een halve boomstronk vasthoudt', aldus Bruner. En er is een goede reden voor die uitzonderlijk grote XL-maat: 'Met kleinere exemplaren krijg ik na een poos te veel last van verrekkingen. Op een brede hals kan ik mijn handen iets vlakker houden. Het doet nog altijd pijn wanneer ik speel, maar het risico op kwetsuren is beduidend lager.' 'I'm not a musician, I just play in a band', zei wijlen Stones-bassist Bill Wyman in de documentaire Charlie Is My Darling. Het stigma dat aan bassisten kleeft - dat van non-muzikanten, 'met maar vier snaren' - is precies waarom Thundercat de voorkeur geeft aan zes-, zelfs achtsnarige exemplaren. 'Ik doe het niet om uit te pakken of zo. Het is me enkel om het grotere bereik te doen. Op zes of acht snaren kun je nu eenmaal meer dan enkel de laagste noten spelen.' Een van Bruners muzikale voorbeelden is Jaco Pastorius, de bassist die mee het geluid van Joni Mitchell-albums als Hejira (1976) en Mingus (1979) bepaalde, en die midden jaren 70 met Wayne Shorter en toetsenist Joe Zawinul furore maakte in de fusionband Weather Report. 'Good lord', klinkt het verrukt wanneer Bruner het Weather Report-aanbod monstert. 'Hier, deze moet je hebben, Night Passage (1980). Of hun tweede album, I Sing the Body Electric (1972). Of doe gewoon maar allebei!' Pastorius, die aan lagerwal raakte en in 1987, na een gewelddadige confrontatie met een buitenwipper overleed, was een gecontesteerd figuur: half glamourboy en stadionrocker, half jazzvirtuoos. Voor Thundercat is hij niks minder dan een icoon: 'Jaco is altijd een belangrijk onderdeel van mijn creatief proces geweest. Voor sommige mensen was hij niet funky genoeg, maar dat hangt ervan af wat je definitie van funky is, natuurlijk. Hij is het type muzikant dat we moeten blijven koesteren, iemand die dwars door alle genres kon denken. Trouwens, een van mijn meest favoriete beeldfragmenten ooit is Jaco die met jullie Toots Thielemans - rest his soul - samenspeelt. Zoek maar eens op YouTube: Sophisticated Lady, Toots en Jaco. Zó mooi, je ziet hun geesten oplichten tijdens dat fragment, compleet in de ban van de muziek.' 'Thundercat: Making Jazz Fusion Cool Again', kopte een Amerikaans blad in de lente van dit jaar. 'What the hell, man? Fusion is áltijd cool geweest!' lacht Bruner. 'Het is uiteraard de taak van de muziekpers om sommige dingen te sensationaliseren, maar het verbaast me toch telkens weer, die schok wanneer vastgesteld wordt dat jazz weer - of nog steeds - relevant is. En zeker fusion, wat ooit toch een erg belangrijke stroming is geweest? Ik bedoel maar: meneren als Miles Davis en Herbie Hancock zijn toch niet van de minsten, weet je wel? Jazz is als een algoritme, iets dat constant evolueert en zichzelf spontaan aanpast aan de tijd, compleet los van marketing en dergelijke. It's like The Matrix.' *** We bevinden ons nog steeds bij de letter W. Bruner stoot op een oude bekende, saxofonist Ernie Watts en diens album Planet Love (1969). 'Kijk eens aan, goed volk uit Los Angeles! Ernie was een goede vriend van mijn vader. Hij kwam vaak bij ons thuis over de vloer en was een soort mentor voor me. In de jaren zeventig zat hij in een fusionband, Karma, samen met Reggie Andrews, een van mijn muziekleraars op Locke High School, en misschien wel een van de belangrijkste muzikanten in LA. Hij heeft véél mensen het juiste pad getoond.' De Locke High School ligt in South Los Angeles, in het district Watts, het toneel van hevige rassenrellen in de jaren 60 en 90. Reggie Andrews rekruteerde er tot aan zijn pensioen in 2010 decennialang de meest veelbelovende muzikanten uit de omliggende buurten voor zijn schoolorkest. Tot de eerste generatie alumni behoren onder meer zangeres Patrice Rushen en Ricky Washington, vader van saxofonist Kamasi Washington. Nieuwe jazzheiland Kamasi zal later ook onder de vleugels van Andrews terechtkomen, samen met de broertjes Bruner. Het is die generatie die zich verenigt als de West Coast Get Down, een muzikantencollectief dat de voorbij jaren zijn tentakels in de muziekwereld heeft uitgestrekt. Bassist Miles Mosley heeft bij Lauryn Hill, Mos Def en Gnarls Barkley gespeeld en presenteerde in april zijn soloplaat Uprising. Drummer Tony Austin vond gehoor bij onder andere Carlos Santana, Roy Hargrove en Erykah Badu. Toetsenist Cameron Graves schakelde de hele bende in voor de opnames van zijn begin dit jaar verschenen debuut Planetary Prince en maakt net als alle voorgenoemden deel uit van de uitgebreide muzikantencast op Kamasi Washingtons magnum opus The Epic (2015). Thundercat en Kamasi zijn, samen met hun spitsbroeder Flying Lotus, ook te horen op Kendrick Lamars To Pimp a Butterfly (2015) en opvolger Damn (2017). Recenter deelde Thundercat de studio met Herbie Hancock. We speuren in de jazzafdeling bij de letter H, maar geen spoor van de legendarische pianist. Wél diept Thundercat een plaat op van saxofonist Eddie Harris, Is It In (1974). 'Moet je hebben', zegt hij. 'Wist je trouwens dat Harris ooit een album met stand-upcomedy heeft uitgebracht? The Reason Why I'm Talking Shit heet die plaat. Kamasi heeft ze me ooit cadeau gedaan.' We lokaliseren Herbie, niet bij de jazz maar tussen de funk. 'Vorig jaar heb ik met hem opgetreden, in de Walt Disney Concert Hall. Het was geschift, als een psychedelische trip, om met hem het podium te delen, hem te zien spelen. Hij is intussen achter in de zeventig (77, nvdr.), but he is still the same dude, playing the craziest shit. Hoe het met zijn nieuwe plaat gesteld is, weet ik niet. Ze is in de maak, zoveel is zeker, en het laatste dat ik opgevangen heb, is dat ook Pharrell er nu bij betrokken is.' Voor we terug richting Ancienne Belgique trekken, houden we nog één keer halt aan de platenbakken, bij de D van The Doobie Brothers. 'Aha, we zitten bij de yacht rock', glimlacht Bruner. 'Yacht rock' is de hipsterbenaming voor soft rock, adult-oriented rock, ook bekend als de West Coast Sound: zachte, gladde, gebronzeerde gitaarmuziek met nadruk op de melodie, ideaal om op vier wielen of met de wind in de zeilen te cruisen. ''Yacht rock' is ironisch bedoeld, maar er zit veel soul - blue-eyed soul - in de muziek van The Doobie Brothers en consorten. Zanger Michael McDonald heeft een klok van een stem en is een geweldige songwriter. En dat bedoel ik niet tongue in cheek, voor alle duidelijkheid.' De aanwezigheid van McDonald op Thundercats Drunk, op de track Show Me the Way, is te danken aan Kenny Loggins, een ander icoon uit het rocktijdperk waarin borsthaar en haardrogers welig tierden - u kent hem van het titelnummer van de film Footloose (1984). Samen met McDonald schreef Loggins What a Fool Believes, een klassieker van The Doobie Brothers uit 1979. 'Net als Michael is Kenny een held van me, maar toen ik hem contacteerde, dacht hij dat ik een grapje maakte. Hij geloofde niet dat ik oprecht van zijn muziek en songs hield. (lacht) Eenmaal overtuigd stelde Kenny zélf voor Michael erbij te halen. Mijn geluk kon niet op. Decennialang hadden die twee niet meer samengewerkt, en nu stonden ze bij mij in de studio, samen een song te schrijven! Hier, check deze foto.' Thundercat scrollt door zijn telefoon. Ik zie hem, in quasi dezelfde zwarte outfit en met dezelfde Birkenstocksandalen van vandaag, in het gezelschap van twee bebaarde heren die geconcentreerd notities nemen. McDonald en Loggins dragen allebei een bijna identiek geruit hemd boven bijna identieke dad jeans. Stephen Bruner glundert bij de herinnering. *** De tourmanager tikt op zijn horloge. Tijd voor Thundercat om terug te keren naar het nest van de backstage. Onderweg glip ik er nog snel twee vragen tussen: waarom draagt zijn album eigenlijk de titel Drunk? En vanwaar die fascinatie met de dood in zijn teksten, zoals in de titeltrack: 'I'd rather be up my mind / Than be dead alive.' 'De titel is een metafoor voor de ups en downs van het leven. Ik drink graag een glas, voor het plezier, maar het is niet voor niets dat we sterke drank in het Engels spirits noemen. In dronken toestand lijkt het soms alsof je tussen leven en dood zweeft, begrijp je? En wat de dood betreft: dat is toch de ultieme ironie? Zodra we er ons van bewust worden, zijn we erdoor geobsedeerd, erop gefixeerd. Je hele leven leef je met het idee dat er maar één zekerheid is: dat we doodgaan. (lacht) Gelukkig bestaat er zoiets als humor.' En muziek? 'En muziek. Alles om te ontsnappen aan die ene zekerheid: games, strips, films, televisieseries...' En alcohol dus? Hij knipoogt. 'Always one more glass to go, where this ends we'll never know.'