'Wauw'. Bert Dockx slaakt een zucht van opluchting, terwijl hij nog snel een havermoutpapje naar binnen speelt, en intussen de vijfsterrenrecensie leest die in Knack Focus verscheen over Rooms/Ruins, de vijfde elpee van zijn steeds vastere vorm krijgende band Flying Horseman. 'Amai, ik ben wel content, het is heel positief', vindt Dockx.
...

'Wauw'. Bert Dockx slaakt een zucht van opluchting, terwijl hij nog snel een havermoutpapje naar binnen speelt, en intussen de vijfsterrenrecensie leest die in Knack Focus verscheen over Rooms/Ruins, de vijfde elpee van zijn steeds vastere vorm krijgende band Flying Horseman. 'Amai, ik ben wel content, het is heel positief', vindt Dockx. We zitten aan de ronde tafel in het midden van zijn appartement, drie hoog niet ver van Antwerpen-Berchem. Meters dvd's aan de ene kant, een collectie vinyl die zich de vloer toe-eigent aan de andere. Op de eerste rij herken ik platenhoezen van Alice Coltrane, Tom Waits, Robert Wyatt en Bach. Op de tafel liggen exemplaren van Rooms/Ruins , in verschillende formaten. De hoes is een strak, minimalistisch, zwart-wit design van een deur, een mysterieuze, donkere doorgang in een maagdelijk witte ruimte. 'Het is een kleurrijke plaat', legt Dockx uit. 'Het leek me wel wat om daar een hoes tegenover te zetten die de potentiële luisteraar geen idee geeft wat hij of zij kan verwachten.' De pap is op, een fles vino tinto en glazen komen in de plaats. Dockx heeft goesting om 'eraan te beginnen'. De wachttijd was lang. Een jaar geleden heeft hij gedurende anderhalve maand gekampeerd in het Antwerpse kunstencentrum deSingel om in groepsverband aan de plaat te werken. Daarna volgde een resem try-outs, en dan was het weer een paar maanden wachten tot ze de studio konden intrekken. Dat gebeurde in juli 2017, intussen al een half jaar geleden. 'Ik heb deze plaat meer beluisterd voor ze verscheen dan alle andere', klinkt het. 'Hoe meer tijd tussen de opnames en release zit, hoe meer onzekerheden de kop opsteken. Geloof me, élk groepslid had op den duur bedenkingen. Als het aan mij lag, dan zou de plaat een week na de opnames in de winkel liggen, en zouden we nog een week later aan de tournee beginnen. Live spelen, communicatie met het publiek, dat is waar het om draait. Een plaat, het fysieke ding, komt pas op de tweede plaats.' En toch. Vanaf hun debuut Wild Eyes uit 2011 is Flying Horseman een lieveling van de pers. De band stapelt dan wel de sterren op, de airplay blijft wat achterwege. Ook Rooms/Ruins lijkt niet voorbestemd om de gaten tussen reclameblok en filenieuws te vullen. 'Het is een bizarre plaat', aldus de maker. 'In mijn hoofd is ze iets speelser en lichter dan de vorige, transparanter ook. Tegelijk is het onze meest experimentele elpee, met extreme contrasten. Het gaat echt nóg meer alle kanten uit.' Staan de kamers en ruïnes in de titel symbool voor die contrasten? Bert Dockx: Dat is open voor interpretatie. De kamers zouden symbool kunnen staan voor het persoonlijke, het innerlijke, en ruïnes roepen een associatie op met oorlog, en kunnen dus voor het bredere, maatschappelijke staan. Als ik op de teksten mag afgaan is het half break-upplaat, half protestplaat. Dockx: Het is een plaat met vele kamers, sowieso. (glimlacht) Net zoals er in mezelf, en in iedere mens, ook vele kamertjes zitten. Alle teksten zijn binnen een veel kortere termijn geschreven dan ik gewend ben. Daardoor zijn ze soms wat ruwer, een beetje slordiger, maar ook spontaan en direct. Er was minder tijd om ze te laten bezinken, wat de kans op zelfcensuur kleiner maakt. Dat leidt soms tot maffe dingen. Zo heb ik ook voor het eerst teksten geschreven bij een nummer waarvan de basis, de muziek, al vastlag. Soldier en Private Isle zijn gebaseerd op jams die de groep vormgaf terwijl ik in een andere ruimte aan mijn teksten werkte. De sfeer was er al, ik moest er enkel een verhaal bij verzinnen. Het is een andere maar leuke manier van werken, en iets dat ik in de toekomst meer wil doen. Met Soldier, bijvoorbeeld, ben ik echt in de huid van een personage gekropen. Een man keert terug van de oorlog, naar zijn geliefde, maar voelt zich vervreemd en onzeker. Tegelijk keren de herinneringen aan die oorlog terug: moeilijke, foute herinneringen, die hij probeert weg te duwen. Ik heb mijn Bruce Springsteen-song geschreven. Eindelijk. (lacht)'Did you know that the smell of blood was easier to bear/ Than the sound of you, of you not there.' Komt hard binnen. Dockx: Mja, die zin is... zoiets is persoonlijk, natuurlijk. Dat kan niet anders. Projectie, het gebeurt automatisch. Dat ik zo'n personage creëer, is geen toeval. Het verhaaltje speelde zich af als een film in mijn hoofd, en ik zat ín dat personage. Dus ja, er zit ook veel van mezelf in. Gemis en shit. Maar ik probeer geen onderscheid te maken tussen het maatschappijkritische en het persoonlijke. De spanning tussen die twee, dát vind ik net boeiend. In het openingsnummer The Key lijk je te treuren om een verloren liefde, waarna je jezelf tot de orde roept: 'Well, who cares, that's just a boring thing to share.'Dockx: Ik méénde dat ook, hè, toen ik dat opschreef! Komaan, Bert, 'ze heeft me laten zitten en ik denk er nog elke dag aan' - hoeveel zulke liedjes zijn er al niet geschreven? (lacht) Dus schreef ik dat op: 'Who cares?''Ik beschouw mezelf nog altijd niet als een songschrijver', zei je drie jaar geleden in dit blad. Je vond jezelf toen in de eerste plaats een muzikant. Dockx: Ja, dat was om me wat in te dekken, uit onzekerheid. Maar die onzekerheid begint zich te settelen. Ik durf meer met mijn stem, besef dat daar nog veel potentieel ligt, en ik durf zelfs vaker gewoon te zingen, terwijl de rest van de band de muziek voor zijn rekening neemt. Ik speel minder gitaar op deze plaat, maar vroeger was dat een soort idee-fixe: ik móét gitaar blijven spelen, want anders verlies ik de controle en stuikt de boel ik elkaar. Maar ik ontnam op die manier verantwoordelijkheid aan de rest van de groep. Nu de cohesie en het vertrouwen tussen ons zo sterk zijn, hoef ik niet per se alle gaatjes te vullen. Flying Horseman is een groep, dat kun je niet genoeg benadrukken. Dockx: Inderdaad. Flying Horseman, dat zijn wij. Dat ik op het podium in het midden sta, is vooral praktisch. Maar ik zing, en ben in het creatieve proces ook de laatste, beslissende filter. Ik ben er nu eenmaal ooit alleen mee begonnen, dat kan ik niet terugdraaien.Nooit overwogen om er Flying Horsemen van te maken, meervoud dus? Dockx: Dat zou ik seksistisch vinden tegenover de vrouwen in de groep. (lacht) Ach, die naam... Toen ik nog alleen speelde, was het vooral humoristisch bedoeld. Ik was toen heel timide, zat altijd neer op een stoel, durfde het publiek nauwelijks aan te kijken. En dan zo'n apocalyptische superheldennaam. Het was ironisch bedoeld. Intussen is de muziek zoveel meer extraverter geworden, en is de ironie wat weg, natuurlijk. De muziek heeft de naam ingehaald. In Fever Room heb je het over een 'man in a monkey suit/ looking for new recruits'. Over welke man gaat het? Dockx: Wat denk jij? Mijn gedachten dwalen af richting mannetjesputters in een slecht zittend pak. Dockx: Iemand zoals Trump, bedoel je? (glimlacht) Ja, dat klopt wel. Het is een karikatuur van mensen met macht die andere, fragielere mensen, manipuleren. Fever Room is een soort dystopische sciencefiction, een van de meest expliciet maatschappijkritische songs op de plaat. Dat dystopische is iets dat altijd terugkeert. Een van mijn oudere nummers, Bitter Storm, was ook al zo'n donkere kijk op de toekomst. We spelen het nog regelmatig, en het lijkt wel op maat van deze tijden geschreven. Toen stond zo'n onderwerp voor veel mensen nogal ver van hun bed, maar ik vond al in de jaren negentig dat we diep in de shit zaten. (lacht)En het kan altijd slechter: 'We would conquer the world/ And we would show them all/ Now that we just about own the world/ Now we're ready to fall', zing je in Stars. Volgens mij zit ik aan tafel met een fan van de dystopische Netflixreeks Black Mirror. Dockx: Oei, nee, eigenlijk niet. Maar dat is een ander onderwerp. Ik vind, als groot cinemaliefhebber, namelijk álle televisieseries overroepen. Allemaal, behalve Twin Peaks. (lacht) Maar goed, de dystopische toets in Black Mirror spreekt me wel aan, dat is waar. Het is een weerspiegeling van de tijd, hè? Mensen beginnen te beseffen dat het echt niet goed gaat met de wereld. Doen alsof het allemaal wel goed komt, wordt nu wel erg moeilijk. (lacht)In je songteksten steek je die visie niet onder stoelen of banken. Maar in interviews laat je zelden het achterste van je tong zien. Zelfs via Facebook deel je zelden meningen. Dockx: Op Facebook raak je zelden verder dan nutteloze discussies of ruzie. Daar haal ik niets uit, behalve frustratie, dus ben ik ermee gestopt. En ik vind ook dat wie écht zo hard met dingen inzit, dan gewoon iets met dóén! Zo was ik graag zondag in Brussel geweest, om mee die menselijke ketting te vormen aan het Noordstation. Er zit meer en meer een soort activist in mij, merk ik. Want ik kan er echt misselijk van worden, van de morele corruptie die dankzij bepaalde mensen mainstream wordt. Ik kan het écht niet af. Ik speel af en toe samen met Brusselse muzikanten, en een van hen legt ook regelmatig vluchtelingen te slapen. Die loopt daar niet mee te koop, hoor, hij vermeldt het tussen pot en pint. Maar het had wel een impact op mij. Hoe een hardwerkende muzikant met weinig geld mensen uit de nood helpt die hij niet kent, zich over zijn angst of wat dan ook heen kan zetten... dát is iets doen. Zolang ik geen concrete bijdrage lever, wil ik ook niet te hoog van de toren blazen. Dat conflict zit ook in mijn teksten. Radicale analyses maken is een ding, maar tegelijk maak ik mijn handen niet vrij om daadwerkelijk te helpen. Dat steekt soms. Maar ik ga wel al opnieuw betogen, af en toe. Dat is een begin. Want moeten we nu écht blijven wachten op een bestuur, hetzij in de stad, hetzij nationaal, dat eindelijk prioriteit maakt van armoede? Want die heerst wel degelijk in ons land. Dat is niet moeilijk op te lossen. In Brussel liggen de mensen op straat te creperen, en tegelijk is er overal leegstand. Komaan, organiseer dat eens! Er wordt genoeg geld verspild aan andere, minder belangrijke zaken. (kalmeert) Allez bon... Kijk, ik ging het niet meer doen, hè. (lacht) Wat een held ben ik toch, door een beetje over onrecht te lullen tijdens een interview. Je hebt nu eenmaal een platform. Dockx: Ik weet het. Maar soms lijkt het alsof we allemaal onze mening in onze zak moeten steken. Alsof politiek enkel iets is voor politici. Terwijl het alles en iedereen is, het beheren van het collectief. Als we het in handen van een kleine groep mensen geven, die er ook maar een zootje van maken, dan stelt democratie niets voor. (zucht) Zulke dingen houden me gewoon bezig. Als ik over mijn werk wil babbelen, dan gaat het niet om het niet over zulke dingen te hebben. Het is ook een soort motor. Wat me bezighoudt, vindt altijd zijn weg naar de muziek. Hou je vooral niet in. Dockx: Pas op, ik blijf het ook mooi vinden om over kleine, intieme dingen te schrijven, hoor. Vele kamers, weet je wel. En humor krijgt ook steeds meer een plaats. 'My sweet girl is better than yours', gaat het in Private Isle. Dockx: Precies. Dat is ook een van die songs waarin ik in de huid van een personage kruip. Een van absurd machismo doortrokken patser. Ik spot in die tekst met een soort van gedateerde mannelijkheid. Een soort flying horseman, misschien? Dockx: Een beetje op mezelf kakken, ja. Dat vind ik dus grappig. (lacht)