1. Kendrick Lamar - To Pimp a Butterfly (2015)

Lees hier waarom To Pimp a Butterfly van Kendrick Lamar op nummer 1 staat.
...

Het is veelzeggend dat A Seat at the Table níét de geschiedenis is ingegaan als de plaat waarmee Solange Knowles uit de schaduw van oudere zus Beyoncé trad - hoeveel kolommen dat exploot op zich ook had kunnen vullen. Nee, meteen slorpten de klasse en diepgang van het werk zélf de aandacht op. Hier stond, na een slepende zoektocht naar haar identiteit, een artieste op die de strijd voor zwarte burgerrechten kanaliseerde in een persoonlijk werk waarop ze boosheid, trots, kwetsbaarheid, wanhoop en kracht ventileerde. Ongeremd, maar genuanceerd. 'Pijn kan erfelijk zijn, en deze plaat was mijn manier om me daarvan te ontdoen.' A Seat at the Table was een protestplaat, maar geen die voetzoekers gooide. Boven een kom licht dampende, uitgepuurde symfonische soul, funk en r&b legde Solange, geruggesteund door de pakkende getuigenissen van haar ouders, haarfijn uit wat het betekent en hoe het voelt om te leven in een tijdsvak waarin een beweging als Black Lives Matter nodig is. (K.B.)Arenaconcerten, gespreksavonden, zelfs een door Gucci gesponsorde expo: er is tegenwoordig heel veel Nick Cave. In België alleen al komt hij volgend jaar twee keer voor psycholoog spelen (met Conversations with Nick Cave in Bozar) en één keer de rockgod uithangen (met The Bad Seeds in het Sportpaleis). Maar van één ding kunt u de Black Crow King, in tegenstelling tot veel van zijn generatiegenoten, níét betichten: dat hij het type rocklegende is dat niets anders doet dan via luxueuze reissues of grootschalige verjaardagtournees op zijn oude oeuvre terugvallen. Waarom zou je The Boatman's Call (1997) of No More Shall We Part (2001) ook herkauwen als je nog een twééde The Boatman's Call of No More Shall We Part in je hebt? Want zo goed was Push the Sky Away toen de plaat zes jaar geleden uitkwam, en zo goed is ze ook vandaag nog. Na jaren van rechtdoor rocken bij Grinderman zocht en vond Cave op zijn vijftiende studioplaat zijn tedere zelve terug, en liet hij zijn vertellingen over hoerenlopers, elementaire deeltjes, Miley Cyrus en andere zeemeerminnen door Warren Ellis en co. hullen in soms dromerige, dan weer dissonante soundscapes. Pas met het op de onfortuinlijke dood van zijn tienerzoon gebaseerde Skeleton Tree (2016) en het daarop voortbordurende, zij het meer helende en sacrale Ghosteen (2019) vond Nick Cave echt aansluiting bij het grote publiek, maar als er het afgelopen decennium één plaat was waarop de inmiddels 62-jarige Australiër zijn muzikale grenzen verlegd heeft, dan wel déze. (M.I.) Als we het nu eens een beetje anders zouden doen, dacht Frank Ocean aan het begin van de jaren tien. In 2011 postte de nachtegaal van de moderne r&b (tot dan vooral bekend als lid van Odd Future en songschrijver voor John Legend en Brandy) een mixtape op Tumblr. Het daaropvolgende jaar, enkele weken voor de release van zijn debuut-lp Channel Orange, berichtte hij op datzelfde kanaal over zijn verliefdheid op een man. Geen officiële coming-out, wel een manhaftig negeren van de dominante heteronorm in het hiphop- en r&b-wezen. Ook Channel Orange zelf schalde lang en luid als verklaring van vrijheid en onafhankelijkheid, zo'n zoete, intelligente, eigengereide en aldus verrassende plaat was het. Zijn biseksualiteit ging Ocean niet uit de weg, maar hij maakte er ook geen thema van. Wat Channel Orange zo memorabel maakte, was de verbluffende vanzelfsprekendheid waarmee hij alle clichés omzeilde, gouden melodieën bedacht en die fabelachtig mooi zong. En daarna, tot aan Endless en Blonde, vier jaar lang onderdook. Anders, indeed. (K.B.) En toen, tijdens het ochtendgloren van het nieuwe decennium, tekende zich door een zilverkleurige mist het silhouet af van Beach House, uit Baltimore. Twee schuchtere hipsters die iets bijzonders deden op hun derde album: een sensuele wind doorheen de indierock blazen, tegen de toenmalige, geitenwollensokken gang van zaken à la Beirut en Bon Iver in, met zangeres Victoria Legrand in de hoofdrol van Venus-achtige sirene, omzwachteld in meeslepende orgelklanken en de weidse gitaararrangementen van Alex Scally. Een minimale en tegelijk grandioze sound, als een albatros zwevend tussen sterrenhemel en aarde. Verleidelijk tussen nostalgie en impressionistische toekomstvisioenen wiegende droompop, in high-definition. Alsof niet Andy Warhol in The Factory maar David Lynch in Twin Peaks zich ontfermd heeft over The Velvet Underground & Nico. Met het twee jaar later verschenen, iets meer potent in de verf gezette Bloom promoveerde Beach House naar de grote festivalarena's, maar toen had het duo met Teen Dream al vele gevoelige snaren beroerd en duizenden copycats gebaard. De meesten leden schipbreuk op de hypnotiserende vocalen en onpeilbare melodieën van Legrand en Scally, waarin zowel de sixtiesdramatiek van The Shangri-Las als de eightiesgalmen van Cocteau Twins doorschemeren. De Kortrijkzanen van SX, bijvoorbeeld, raakten niet onder de vergelijkingen uit, maar ook Lana Del Rey borduurde voort op Teen Dream en zijn tragische, bezwerende baljurkromantiek. Een illusie die blijft duren. (J.B.) 'Can we get much higher?' vraagt Justin Vernon van Bon Iver aan het begin van Kanye Wests vijfde album, in Dark Fantasy. Het antwoord weerschalt klaar en duidelijk in de volgende 63 minuten: nee, qua duizelingwekkende ambitie en ego kon West geen hogere toppen scheren dan op My Beautiful Dark Twisted Fantasy. Wankelend ging hij het nieuwe decennium in: achtervolgd door schandaaltjes, publiekelijk gegrild, beschimpt door president Obama, naar de rand van een inzinking. Maar als een gewond dier nam Kanye de vlucht vooruit. Richting Hawaï, in dit geval, waar hij zich samen met anderhalve voetbalploeg aan handlangers barricadeerde in de studio. Drie miljoen dollar pompte hij in de opnames, een buitensporig bedrag voor een buitensporige plaat. Een grandioos spektakelstuk van barokke arrangementen, gewaagde samples (Aphex Twin, King Crimson, Mike Oldfield), epische beats, ver over de rand van megalomanie bengelende teksten, en Elton John. Het album waarmee Kanye West zichzelf én de hiphop in zijn geheel een schop onder de kont verkocht. (J.B.)Het viel niet te bevroeden dat in de vroegere drummer van Fleet Foxes, noch in de singer-songwriter die zich aanvankelijk van zijn eigen naam J. Tillman bediende, zo'n schalkse, van zelfspot doordrongen tekstschrijver woonde. Pas toen Josh Tillman zichzelf tot Father John Misty wijdde, klaterde dat talent de wereld in - tot je je bij zijn jongste platen afvroeg of je louter de lyrics lezen niet vermakelijker was gaan vinden dan de songs beluisteren. Niettemin: op I Love You, Honeybear zat die balans tussen inhoud en vorm zonder twijfel perfect. Uitmuntend en hilarisch was het, zoals de eerwaarde - die in het afgelopen decennium de titel van meest beluisterbare zotskap van LA overnam van Ariel Pink - zichzelf en zijn vrouw als onderwerpen vastpinde, en al doende aan de haal ging met schmalzy showtunes, countryblues en folk, en orkestrale ballades. Wat denkt ú, geachte naïeveling, over de liefde? Met die vraag klampte I Love You, Honeybear je aan, en je kon niet ophouden je grijnzend aan het achterhoofd te krabben. (K.B.) Is het Terrible Love, waarvan de intro zo aandoenlijk op de deur klopt voor hij zachtjes binnenkomt? Is het Bloodbuzz Ohio, de beste bijna-popsong die Matt Berninger ooit uit zijn baard heeft gekrabd? Of is het toch Vanderlyle Crybaby Geeks, nog altijd de beste soundtrack bij een liefdesbrief die in een kampvuur wordt geflikkerd? We weten nog altijd niet precies waarom net deze plaat en niet Alligator of Boxer The National finaal richting de grote podia heeft gelanceerd na tien jaar leuren met kwijnende gitaren, nerveuze drums en donkere middenklassepoëzie. High Violet is dat alles, maar vooral méér: meer ambitie, meer strijkers, meer blazers en meer frasen waarvan we toen al voorspelden dat ze ooit door tienduizend man aan flarden zouden worden gebruld. Een plaat als een vriend die bedeesd binnenkomt en zijn hart in je armen uitstort, om vervolgens een fles whisky uit zijn binnenzak te halen en je te vragen hoe laat je morgen moet gaan werken. (J.V.L.) Hoewel ons uit de jongste jaren ettelijke fijne, met elektronica geboetseerde plaatjes van Caribou, Flying Lotus, Oneohtrix Point Never, Arca, Jon Hopkins of Andy Stott voor de geest staan, schitterde in deze uithoek van het popuniversum tussen 2010 en heden geen ster zo fel als die van Tahliah Barnett. Alsof iemand de etherische mystiek van Dead Can Dance naar een met seismische bassen en glazige synths gevulde kelder had verbannen waar alleen de rode lampjes het deden: zo sensueel, trillend, radeloos, smachtend en toch heimelijk triomfantelijk klonk LP1. Want hierop wees de frêle Britse zangeres en danseres met de krakende botten resoluut naar een tot dan onbekende landengte, waar abstracte slow jams en vereenzaamde r&b elkaar welig stonden te bevruchten. Ze ploegde zich daar doorheen met hese, porseleinen stem. Een bedrieglijke fragiliteit, want in haar huisstijl en performance schoof FKA Twigs een krachtig, zo u wil feministisch mantra naar voren: men kan mij slaan, maar breken niet. (K.B.) In seconde 55 hoor je hem voor het eerst, een minuut later slaat hij nog harder in. We hebben het over de subtiele maar verpletterende sub-bass in Limit to Your Love, de Feist-cover waarmee James Blake zichzelf eind 2010 op de kaart zet en in één adem ook een nieuwe beweging op gang brengt: de post-dubstep. Hoewel de wat timide, Britse bleekscheet met Stevie Wonder opgroeit en wat later ook Bonnie 'Prince' Billy en Arthur Russell ontdekt, wordt zijn creativiteit pas écht gestimuleerd wanneer hij in een Oost-Londense club de dubstep van Coki hoort. De klassiek geschoolde pianist besluit zijn eigen ballads met diepe bassen te pimpen en zijn soulvolle treurwilgstem door allerhande vocoders te halen, met het titelloze debuut James Blake (2011) tot gevolg. Het album laat een stroomstoot door de slaapkamerpop gaan en betekent een blitzstart voor Blake, later nog winnaar van de Mercury Prize en stille kracht achter songs van Beyoncé, Kendrick Lamar en Frank Ocean. (M.I.) Toen in 2016 eindelijk nieuw werk van Radiohead arriveerde, had het vijftal nog nooit zo'n lange tijd tussen twee platen laten vallen - vijf jaar. Bovendien bleek dat 'nieuw' relatief: opener Burn the Witch kwispelde hen al vijftien jaar om de benen, afsluiter True Love Waits zelfs twintig. Toch glinsterde A Moon Shaped Pool van de waardige intenties en frisse invalshoeken. Een makkelijke bevalling was het niet. De scheiding van zijn vrouw was Thom Yorke in de knoken gezakt, en ook besognes van existentiële, politieke en ecologische aard waren aan de songs blijven kleven. Gewicht genoeg om er een molensteen uit te beitelen, maar het eindresultaat was dat allesbehalve. Jonny Greenwoods gracieuze strijkersarrangementen en Yorkes knisperende electro verzoenden zich in een geluid dat voorts kamermuziek, pastorale folk en artrock samensmolt. Pijn en verontwaardiging gesmoord in een meanderend, wringend meesterwerk. (K.B.) ' That rock 'n' roll, eh?' begint Alex Turner zijn op een veelbesproken mic drop eindigende speech over de staat van de gitaarmuziek tijdens de Brit Awards van 2014. ' That rock 'n' roll, it just won't go away.' Hij heeft op dat moment net de album-van-het-jaarprijs in ontvangst genomen voor AM (2013), uitgerekend de plaat waarop Arctic Monkeys het begrip rock weer wat rekbaarder heeft gemaakt. Naast vertakkingen naar (of zijn het pastiches op?) doowop, glamrock en Motown vormden dit keer niet hun helden van het eerste uur The Strokes maar wel Dr. Dre, Outkast en Aaliyah het referentiekader. Een succesformule, want er werden in twee dagen tijd honderdduizend stuks van AM gesleten, en het album lanceerde de Monkeys voor het eerst écht in de VS. En dan is het ook nog eens een van de tegenwoordig eerder zeldzame rockplaten die fier overeind blijven in het streamingtijdperk - op Spotify is Do I Wanna Know? zelfs een groter anthem dan Smells Like Teen Spirit of Seven Nation Army. Die rock-'n-roll toch! (M.I.) Beyoncé Knowles-Carter was misschien al de beste zangeres van haar generatie, maar met Lemonade ging ze nog een stap verder. De popprinses schudde ons idee van wat een r&b-plaat hoort te zijn door elkaar en creëerde een ongezien totaalconcept. Daarvoor haalde ze het grof geschut boven: features van The Weeknd, James Blake, Jack White en Kendrick Lamar, samples van Soulja Boy tot Led Zeppelin, genrewissels van country naar rock én een indrukwekkende HBO-special die het album voorzag van een audiovisueel luik. Maar de grootste verrassing was misschien wel dat de anders zo gereserveerde en schijnbaar volmaakte Queen B in haar ziel liet kijken. Lemonade is haar antwoord op de ontrouw van manlief Jay Z. 'Suck on my balls, I had enough', bijt ze van zich af in Sorry. Toch is de plaat meer dan het relaas van een gebroken hart. Beyoncé gebruikt haar pijn om onderwerpen als het moederschap, vader-dochterrelaties, feminisme en racisme aan te snijden. Zoals ze Malcolm X citeert: 'The most disrespected person in America is the black woman.' In de bijbehorende film laat ze dan weer jonge zwarte vrouwen zoals actrices Zendaya en Amandla Stenberg opdraven, eert ze de Somalisch-Britse dichteres Warsan Shire en houden de moeders van Trayvon Martin, Michael Brown en Eric Garner foto's vast van hun overleden zonen, slachtoffers van raciaal politiegeweld. Het resultaat is haar beste album tot dusver, goed voor negen Grammy-nominaties en met 2,5 miljoen exemplaren het best verkochte album van 2016. Lemonade legde ook de kiem voor Beyoncé's latere werk, waarmee ze liever een krachtige boodschap op de wereld loslaat dan boven aan de hitlijsten prijkt. Zonder Lemonade geen Everything Is Love, het goedmaakalbum dat ze met Jay Z uitbracht onder de naam The Carters, of Homecoming, haar iconische show op Coachella die één grote ode aan zwarte cultuur was. Beyoncé kreeg zure citroenen en maakte er een bitterzoete limonade van. JOZEFIEN WOUTERS Hiphop met invloeden uit chanson, dance, tango, rumba, opera én gabbermuziek: dat is wat Paul Van Haver alias Stromae voorschotelt op zijn tweede plaat Racine carrée. Dat en meer, want Stromae is een totaalpakket. Hoe hij de dronkenlap uithangt in de clip bij Formidable, zich als half-man-half-vrouw voordoet in de video van Tous les mêmes en als een volleerde Jacques Brel loopt te acteren op het podium: het hoort allemaal bij het universum dat hij voor zichzelf heeft gecreëerd. Stromae is niet alleen een popmuzikant die over socialemediavervreemding, discriminatie, aids en mosselen met friet zingt, hij is een personage. Een wereldberoemd personage, want hoewel hij ten tijde van zijn debuutsingle Alors on danse (2010) nog bang was voor onehitwonder versleten te zullen worden, haalde hij drie jaar later acht keer platinum in ons land en scoorde hij in Frankrijk het meestverkochte album van 2013 én 2014. En dan veroverde hij in 2015 ook nog eens de VS, met opvallende passages op South by Southwest, Coachella (waar Kanye West tijdens zijn optreden op het podium stapte) en in Madison Square Garden, de iconische New Yorkse concertzaal met een capaciteit van twintigduizend toeschouwers die hij als eerste Belg ooit in zijn eentje wist te vullen. En dat allemaal dankzij Racine carrée, dé belpopmijlpaal van het afgelopen decennium. (M.I.)Weinig producers hadden het afgelopen decennium zoveel impact op de popwereld als de Schotse Sophie Xeon. Samen met haar collega's uit de PC Music-stal boetseerde ze hyperkinetische bubblegumpop, maar ze drukte ook haar stempel op de mainstream dankzij samenwerkingen met Madonna, Charli XCX, Vince Staples en McDonald's. Rond Sophie zelf hing evenwel een zweem van mysterie: tijdens dj-sets gebruikte ze een stand-in en haar biografie beperkte zich tot enkele zinnen. Haar langverwachte debuutplaat Oil of Every Pearl's Un-Insides was dan ook een kantelpunt. Voor het eerst trad ze zélf op de voorgrond als transvrouw, zangeres en performer. En dan was er nog de sound. Snoeiharde dancetracks, uitgerokken ambient en kwetsbare ballads zoals het prachtige It's Okay to Cry: Sophie creëerde haar eigen wereld, ergens tussen authentiek en artificieel, tussen dans- en jankbaar en tussen mainstream en experiment. Een artistiek statement én een blauwdruk van de toekomst van de popmuziek. (J.W.) Edel is de wens van de artiest die op het toneel sterven wil. Maar je moet er al David Bowie voor heten om daar ook zelf het scenario voor uit te dokteren. Dat voorzag uiteraard niet dat Bowie - toch al sinds de jaren zeventig de norm wat betreft de conceptuele uitoefening van de popmuziek - twee dagen na de release van zijn laatste plaat zou deelnemen aan the great gig in the sky, als gevolg van de terminale kanker die hij lang voor de wereld had stilgehouden. Maar wat anders van die zelfbewuste titel te denken - Blackstar (oftewel H, want noblesse oblige)? Zelfs bijna vier jaar later brengen de zinsnedes 'Look up here, I'm in heaven/ I've got scars that can't be seen/ I've got drama, can't be stolen/ Everybody knows me now' rillingen teweeg. De vervelende bijwerking van die ultieme meesterzetten was dat ze de deugdelijkheid van de muziek wat toedekten. Inmiddels appreciëren we Blackstar voor wat Bowie's grande finale óók was: een huldiging van artistieke durf en onverschrokken goesting, gevat in nerveuze jazzkronkels en messcherpe artrock. (K.B.) Ze werd genomineerd voor twee Grammy's, Pharrell Williams en Madonna zijn fan, ze deed mee in de recentste film van Pedro Almodóvar én ze werkte samen met J Balvin, James Blake en Billie Eilish. De Catalaanse Rosalía Vila Tobella heeft de afgelopen twee jaar een serieus momentum beet en geen taalbarrière die daar een stokje voor kan steken. In haar thuisland had ze al langer een reputatie opgebouwd, maar met El mal querer, haar tweede worp, breidde ze haar markt uit. 'Millennial flamenco' wordt haar geluid genoemd: flamenco op maat van 2019, aangedikt met pop, trap en reggaeton. Op haar vijfentwintigste leidde ze het genre een nieuw tijdperk in, waar castagnetten hand in hand gaan met samples van Justin Timberlake en ronkende motoren. Rosalía geldt dan ook als een van de gezichten van een muzikale verschuiving: Spaanstalige pop is de muziekwereld aan het overspoelen. Dat werd in 2019 alleen maar duidelijker, en de kans is klein dat de trend snel zal bekoelen. (J.W.) Van voormalig marihuanaboer zonder dak boven je hoofd uitgroeien tot een van de meest charismatische muzikanten in Los Angeles, vier eigen albums uitbrengen in vijf jaar tijd, en op het eind van het decennium bekroond worden met je obscure nevenproject: Anderson Paak kan dat. Waarom dus niet Venice (2014), Malibu (2016), Oxnard (2018), of Ventura (2019), en wel Yes Lawd! van NxWorries? Omdat Paak op zijn albums heel veel heel goed doet - waaronder zingen, rappen, en drummen -, maar hier met producer Knxwledge iemand naast zich heeft die kan toveren met twee samples van drie, vier seconden en een halve hook. Een alchemist, die flarden funk en snippertjes soul roostert boven het eeuwig knetterende vuur van de gospel en met een hommage aan meesterbricoleur J Dilla - precies tien jaar na diens overlijden - Paak herleidt tot een diepe, donkere schaduw: uitgepuurd tot zijn sexy, tijdloze essentie. Geen doorslagje van Marvin Gaye, Curtis Mayfield of Al Green, maar een smaakvolle reconstructie, door een ringetje naar het nu gehaald. (J.B.) Er wordt tegenwoordig wat lacherig gedaan over Claire Boucher, alias Grimes. Dat krijg je als je je naam verandert naar de letter c, aanpapt met miljardair Elon Musk en je langverwachte nieuwe plaat aankondigt als 'een conceptalbum over de antropomorfe godin van de klimaatverandering'. Maar de haters ten spijt: Grimes is en blijft een van de meest invloedrijke artiesten van het afgelopen decennium. Waar haar eerste twee albums haar een stevig cultgevolg opleverden, groeide Grimes met Visions uit tot de indielieveling van de post-internetgeneratie. Een plaat die ze in drie weken tijd opnam in GarageBand, op haar eentje in haar slaapkamer, met een acuut slaapgebrek en onder invloed van amfetamines. Het resultaat is een baanbrekende mengelmoes van catchy pop, technobeats, een mystieke esthetiek en etherische zanglijnen. Vooral de track Oblivion prijkt aan de top van menig decenniumlijstje. Grimes plaveide mee de weg voor (vrouwelijke) DIY-producers én de genreoverstijgende sound die je nu haast overal hoort. Bijna acht jaar later klinkt Visions nog even visionair. 'We'll see who's still around a decade from now', rapte de Canadees Aubrey Drake Graham op Tuscan Leather, de openingstrack van Nothing Was the Same. En kijk, vandaag mag Drake zich de absolute streamingkoning van het decennium noemen. Of toch als het op Spotify-cijfers aankomt. Achtentwintig miljard streams heeft hij daar de afgelopen tien jaar verzameld. Acht-en-twin-tig miljard. Drake is dan ook al lang niet meer enkel die acteur uit de tienerserie Degrassi: The Next Generation (Jimmy Brooks, iemand?) of die rapper die u leerde waar het acroniem yolo eigenlijk voor staat ( The Motto uit 2011, remember?). Boven alles is hij de man die de hiphop definitief de mainstream in heeft getrokken - the genre's biggest pop crossover star, zoals Pitchfork hem noemde. Daar zat Nothing Was the Same, zijn derde en beste plaat, voor veel tussen. Op de opvolger van Thank Me Later (2010) en Take Care (2011) toonde Drake - u mag ook Drizzy of Champagne Papi zeggen - zich een beduidend betere rapper-zanger dan zijn voorbeeld Kanye West, liet hij met Jay Z en Sampha maar ook geheime wapens als Hudson Mohawke en Chilly Gonzalez een aardig kransje gasten opdraven en gingen zijn raps ' deeper than money, pussy, vacation', zoals hij het in From Time zelf stelde. Nothing Was the Same betekende de grote doorbraak voor Drake, maar is ook het album dat hij nadien met geen enkele plaat of playlist meer heeft weten te evenaren. Misschien lukt het a decade from now wel weer. (M.I.)