Eerste zin De zeester krult zijn armen rond de mossel en trekt met zijn zuignappen aan de schelp.
...

Eerste zin De zeester krult zijn armen rond de mossel en trekt met zijn zuignappen aan de schelp. In een kelder komen een aantal mensen bij elkaar voor een ceremonie, een afscheid lijkt het wel, van een jongen, een straat en een gemeenschap die onder de rupsbanden van de aanstormende bulldozers en graafmachines zullen verdwijnen. We zitten in de Bevrijdingslaan, in het museumkwartier, waar kunstenaars en kunstliefhebbers bij elkaar hokken als waren het dwergkonijnen. In zijn debuutroman Weekdier volgt Hans Depelchin er een aantal: een fotograaf, een schrijfster, een pianist. Ze strijden met elkaar en vooral ook met zichzelf, want ze gaan allemaal naar de dertig toe en vragen zich af of ze wel goed bezig zijn. Wie zijn ze? Hebben ze de goede partner? Raken ze vooruit in het leven? En wanneer komen de kinderen? Depelchin is soms vlijmscherp in zijn typeringen. De actrice die na drie weken met haar Mini Cooper Countryman naar de garage rijdt om te klagen over het al te fallische ontwerp van de handrem, waardoor ze tijdens het rijden de hele tijd met het knopje zit te spelen, is bijvoorbeeld grandioos. Maar nu en dan vergaloppeert hij zich ook in zijn jeugdig enthousiasme en gaat hij uit de bol in wijdlopige fantasieën en nachtmerries. Zijn personages vatten hun tijd en hun leeftijd, maar hebben al te veel moeite met leven.