Robert Walter lijkt het helemaal gemaakt te hebben. Hij is als burgemeester van Amsterdam aan zijn tweede ambtstermijn bezig, heeft een knappe buitenlandse vrouw en een slimme dochter die zowel op school als in de liefde haar mannetje kan staan, Diana. Op zijn zestigste is hij een rots in de branding tot hij op een nieuwjaarsreceptie merkt dat Sylvia, zijn vrouw, toch wel heel erg dicht bij wethouder Maarten van Hoogstraten staat. Die twee hebben iets, schiet het door zijn hoofd, en als een Hollandse Othello begin hij dol te draaien.
...

Robert Walter lijkt het helemaal gemaakt te hebben. Hij is als burgemeester van Amsterdam aan zijn tweede ambtstermijn bezig, heeft een knappe buitenlandse vrouw en een slimme dochter die zowel op school als in de liefde haar mannetje kan staan, Diana. Op zijn zestigste is hij een rots in de branding tot hij op een nieuwjaarsreceptie merkt dat Sylvia, zijn vrouw, toch wel heel erg dicht bij wethouder Maarten van Hoogstraten staat. Die twee hebben iets, schiet het door zijn hoofd, en als een Hollandse Othello begin hij dol te draaien. De burgemeester wordt een undercoveragent in zijn eigen huis en ziet in iedere onbenulligheid een nieuwe bevestiging van zijn vermoeden. Wanneer Robert en Sylvia naar Parijs gaan en zij tijdens een etentje van tafel wegloopt omdat ze een dringende oproep heeft gekregen, groeit zijn overtuiging nog. Zeker wanneer Sylvia na haar terugkomst zegt dat het telefoontje van een Japanse vriendin was die vermoedt dat haar man er een maîtresse op na houdt. Steeds blijft diezelfde gedachte door zijn hoofd spoken: oké, als het nu George Clooney, Clint Eastwood of Sean Connery was, maar toch niet Maarten van Hoogstraten. Wat zegt dat over hem, dat Sylvia het met zo'n lulletje rozenwater aanlegt? Wanneer Robert om zich heen kijkt, ziet hij overal spiegels van zichzelf rondlopen. Maar gelukkig is er Bernhard, een succesvolle astronoom met de dood op het lijf die de vinger op de wonde legt. Waarom al die menselijke - en in de praktijk vooral mannelijke - grootspraak, vraagt hij zich luidop af? Wie zijn wij dan wel? Een onooglijk detail op deze aarde, die zonder mensen niets minder waard zou zijn. We zijn zo verdomde geciviliseerd dat we niet meer weten wat een mens werkelijk is, klinkt Kochs boodschap vanuit de krochten en greppels van deze roman. Of zo verdomde Hollands, want Koch fulmineert veelvuldig tegen de kneuterige en krenterige mentaliteit van zijn landgenoten. Maar het kan anders. Neem nu Roberts vader. Vierennegentig is de man wanneer hij tegen zijn zoon zegt dat het zo stilaan welletjes is geweest en dat hij er binnen het halfjaar samen met zijn vrouw een eind aan gaat maken. 'Maar je bent nog kerngezond', krijgt hij als tegenwerping. Waarop de bejaarde man: 'Precies, net daarom.' Maar zijn plan mislukt. Zijn vrouw sterft en hij overleeft de dubbele zelfmoordpoging, waarna hij zijn persoonlijke Indian summer beleeft. Al wat hij van zijn vrouw nooit mocht, doet hij nu in ijltempo. Zo koopt hij een iPhone en niet veel later ziet Robert hem voorbijscheuren in een rode sportwagen, een jong ding met fel aangezette lippen en bloemetjessjaaltje op het hoofd incluis. Is hij alsnog achter het geheim van het mannengeluk gekomen? Heeft hij zijn naturel gevonden en geniet hij van het bestaan zonder zich iets aan te trekken van het geweten dat de anderen hem proberen aan te praten? Misschien, maar lang zal hij er natuurlijk niet van kunnen genieten. Herman Koch hanteert een licht absurdistische stijl die aan Arnon Grunbergs werk doet denken, inclusief de soms dode momenten waarop je je als lezer afvraagt waar het boek in feite heen wil. Al blijken die passages bij nader inzien niet altijd zo overbodig. Wat loopt Sylvia's broer hier nu opeens door het beeld te lanterfanten, vraag je je bijvoorbeeld op een gegeven moment af. Tot de man een paar honderd pagina's verderop weer opduikt en heel relevant blijkt. De greppel lijkt misschien bij elkaar gegooid, maar is dat echt niet. DE GREPPEL **** Herman Koch, Ambo/Anthos, 319 blz., ? 21,99. MARNIX VERPLANCKECENTRALE ZIN - Wie zonder schande leeft, is vrijer, staat dichter bij de natuur.