Jarenlang had Nell Zink lak aan het Amerikaanse uitgeverswereldje. In een profiel in The New Yorker - een eer die normaal voorbehouden is aan de groten der aarde, niet aan een onbekende schrijfster met amper twee boeken op haar cv - heet het dat ze dat oppervlakkig, gedreven door winstbejag en kleingeestig vindt. En passant boort ze Thomas Pynchon de grond in - 'Wie heeft dit nodig?' - en krijgt David Foster Wallace een veeg uit de pan.
...

Jarenlang had Nell Zink lak aan het Amerikaanse uitgeverswereldje. In een profiel in The New Yorker - een eer die normaal voorbehouden is aan de groten der aarde, niet aan een onbekende schrijfster met amper twee boeken op haar cv - heet het dat ze dat oppervlakkig, gedreven door winstbejag en kleingeestig vindt. En passant boort ze Thomas Pynchon de grond in - 'Wie heeft dit nodig?' - en krijgt David Foster Wallace een veeg uit de pan. Lang was Zinks lezerspubliek - want schrijven doet ze al lang, en veel - beperkt gebleven tot haar echtgenoten en enkele vrienden. Daar kwam verandering in toen ze niemand minder dan Jonathan Franzen een brief stuurde, over - hoe kan het ook anders - een bedreigd vogeltje. Franzen was gecharmeerd, loofde haar schrijftalent en een correspondentie volgde. Tot aan die vermetele brief had Zink een uitzonderlijk leven geleid. Een jeugd vol verwaarlozing, met boeken als haar enige redding - op haar twaalfde had ze naar eigen schatting Hamlet al 'een miljoen keer' gelezen - en een liefdesleven dat haar over de hele aardbol bracht. In haar jonge jaren werkte ze vier jaar als metser, zichzelf onderwijl Frans aanlerend door Sartre te lezen, woordenboek bij de hand. Tussendoor speelde ze in een noisebandje, ze rommelde wat aan in de ecobeweging, was een tijdje dakloos, papte aan met een bibliothecaris én een Israëlische dichter en vestigde zich uiteindelijk als vertaler in Duitsland. Een leven dat leest als een boek, maar een echt boek, dat kwam er niet van. Tot Franzen er zich mee ging bemoeien. Hij spoorde Zink aan te publiceren. In amper een paar maanden schudde ze twee boeken uit haar mouw, waarvan het eerste op driehonderd exemplaren bij een kleine feministische uitgeverij verscheen en een tweede voor grof geld werd gekocht door HarperCollins. Sindsdien geldt Zink als een wonderdame, een die recent mocht aantreden in Passa Porta om haar roman Misplaats te promoten. Zo'n fabuleuze levenswandel schept verwachtingen, die Zink helaas niet inlost. Misplaatst is het verhaal van Peggy, die zich als kind lesbisch waant maar op een kleine universiteit in bed duikt met een homoseksuele dichter, met hem twee kinderen krijgt, om er daarna van weg te vluchten, een nieuwe - zwarte - naam steelt van een grafzerk, en zich dan maar als Afro-Amerikaanse door het leven worstelt door onder meer drugs te dealen. En dan zijn we nog maar op pagina 50. Zink draait een van de stelregels van de literatuur - show, don't tell - helemaal om. Op zich dapper, maar als lezer word je constant voor voldongen feiten geplaatst. Personages duiken abrupt op, doen hun ding om het verhaal verder te helpen en worden dan als een bevuilde tissue weggegooid. Je hebt het maar te slikken, bladzijde na bladzijde. Hoewel de thematiek interessant zou kunnen zijn - de ambiguïteit van onze identiteit, de rassenkwestie - leest Misplaatst zoals het geschreven is: als een stortvloed van woorden die zonder enige gelaagdheid of redactie op de pagina is neergebraakt. Misschien wordt het nog wat met Zink, maar voorlopig moet Franzen veel selectiever zijn wanneer hij adelbrieven uitdeelt. MISPLAATST * Nell Zink, Ambo (originele titel: Mislaid), 272 blz., ?19,99. RODERIK SIXCENTRALE ZIN Ze was misselijk, existentieel en anderszins.