Van Steven Spielberg met Tye Sheridan, Ben Mendelsohn en Mark Rylance.
...

Steven Spielberg is altijd al gek geweest op sciencefiction, op videogames, op outsiders en op zedenlesjes, en dus mag het geen verwondering wekken dat hij (en niet Christopher Nolan, Peter Jackson of andere regisseurs die eerder werden genoemd) zich waagt aan de verfilming van Ready Player One. Al zijn stokpaardjes zijn in de dystopische bestseller van Ernest Cline aanwezig, samen met zoveel referenties aan videospellen en films dat zelfs geeks die geilen op Tron, Akira, King Kong, Lord of the Rings en andere er nog bleker van uitslaan dan normaal. Hoewel er vooral wordt gegraaid uit de popcultuur van de eighties - het decennium waarop eeuwig kind Spielberg zijn stempel drukte met E.T., de Indiana Jones-films en zijn Amblin-filmfabriek - speelt het verhaal zich af anno 2045. De wereld blijkt een overbevolkte schroothoop en iedereen vlucht het liefst weg in Oasis, een online spel dat werd gecreëerd door de overleden gamegoeroe James Halliday. Daarin heeft Halliday eastereggs achtergelaten die je toegang geven tot zijn bedrijf en bijbehorende fortuin. Ook Wade Watts (Tye Sheridan), een tiener die met zijn tante in een trailerpark hokt, vlucht regelmatig met zijn VR-bril én zijn avatar Parzival Hallidays nerdvana in. Vraag is alleen: kan de knul op tegen het gameleger van Sorrento (Ben Mendelsohn), een megalomane CEO die hoopt over Oasis te heersen? Zowat zeventig procent van de film, voortgestuwd door hitjes van Van Halen, Joan Jett, Twisted Sister en andere eighties-coryfeeën en een soundtrack van Back to the Future-componist Alan Silvestri, speelt zich af in de virtuele wereld, die bevolkt blijkt door avatars die qua fotorealisme de reuzensmurfen van James Cameron tot digitale dino's hopen te herleiden. Dat er lang aan de speciale effecten werd gewerkt - zo lang zelfs dat Spielberg tussendoor zijn vrijepershommage The Post kon maken - is eraan te zien, al had de film een stilist kunnen gebruiken die minder op neonkleurtjes en overvolle cyberkitsch kickt. Bovendien gebeurt het zappen tussen de echte en de virtuele wereld, tussen nostalgie en futurisme op een heldere en klassieke manier, waardoor het ondanks de overvloed aan referenties nooit die bombastische pop trash-orgie wordt waarvoor lui die van Pong al nerveus worden hadden gevreesd. Al dat blitse oogsnoep neemt evenwel niet weg dat Ready Player One uiteindelijk even gewichtig is als een spelletje Asteroids, al was het natuurlijk de bedoeling om eerder Atari dan Adorno te citeren. Behalve wat cosmetische sociale commentaar over blind escapisme (zelfs in de virtuele wereld ontsnapt Spielberg niet aan zijn innerlijke moralist) is het fun and games op het vermoeiende af, en blijft vooral die ene Kubricksequentie op je harde schijf gebrand. Alles had alvast snediger en krachtiger gekund, aangezien je op de keper beschouwd 140 minuten zit te kijken naar een videospel zonder joystick, een van de redenen waarom gamecultuur zich zo lastig naar cinema laat vertalen. Om het in fanboyjargon te zeggen: geen topper om met je DeLorean met tweehonderd per uur richting bioscoop te scheuren, maar ook geen prul waar je het liefst RoboCop op afstuurt.