Er zijn verschillende manieren om de populaire Amerikaanse schrijver Jack London (1876-1916) te verfilmen. Je kunt braaf het verhaal volgen en op de romantiek en het avontuur focussen, of je kunt de vertelling naar een andere plek en een onbestemde tijd transponeren en de sociaal-politieke lading op het voorplan trekken. Dat laatste is wat de Italiaanse regisseur Pietro Marcello op een even inventieve als ingenieuze manier doet met Martin Eden, Londons meest autobiografische roman, uit 1909.
...

Er zijn verschillende manieren om de populaire Amerikaanse schrijver Jack London (1876-1916) te verfilmen. Je kunt braaf het verhaal volgen en op de romantiek en het avontuur focussen, of je kunt de vertelling naar een andere plek en een onbestemde tijd transponeren en de sociaal-politieke lading op het voorplan trekken. Dat laatste is wat de Italiaanse regisseur Pietro Marcello op een even inventieve als ingenieuze manier doet met Martin Eden, Londons meest autobiografische roman, uit 1909. Op het eerste niveau verhaalt die over Londons alter ego: de ongeschoolde, maar ambitieuze arbeidersjongen Martin Eden (in deze film charismatisch vertolkt door Luca Marinelli), die graag schrijver wil worden en daar met de hulp van een mooie jongedame uit een rijke bourgeoisclan ook in slaagt. Op het tweede niveau graaft London veel dieper en heeft hij het, tussen alle romantische muizenissen door, over de klassenstrijd, de essentie van het socialisme en de destructieve krachten van de cultuurindustrie waar selfmade man Martin, ondanks zijn hard bevochten roem en status, uiteindelijk het slachtoffer van wordt. Dit is dan ook stukken zwaardere kost dan pakweg The Call of the Wild en White Fang, zonder twijfel Londons bekendste, maar ook meer escapistische romans. De manier waarop Pietro Marcello die gewichtige thema's tackelt, is bijzonder. Niet alleen verplaatst hij het verhaal van Oakland naar de havenbuurt van Napels, waar Martin aanvankelijk aan de karige kost komt als matroos. Hij voegt ook documentaire archiefbeelden van dokwerkers, huisvrouwen en kinderen aan de fictionele vertelling toe: korrelige, half vergeelde en vergeten beelden die nu eens uit de jaren dertig, dan weer uit de jaren vijftig of zestig lijken te komen. De film situeren in de tijd is bijgevolg onmogelijk, waarmee Marcello - niet toevallig een voormalig documentairemaker - wil illustreren dat de klassenstrijd van alle tijden is en de geschiedenis een continuüm. Het is alsof hij Martin, die in tegenstelling tot London het socialisme afzweert en dweept met het individualisme van Friedrich Nietzsche, meesleurt doorheen het Italië van de hele twintigste eeuw. Maar dan op zo'n organische manier dat het nooit een gimmick wordt of afleidt van het verhaal. Bovendien doet dat procedé onvermijdelijk denken aan de rijke traditie van het Italiaanse neorealisme, dat in de slipstream van de Tweede Wereldoorlog al frequent gebruikmaakte van op straat geschoten archiefbeelden om fictiefilms mee te spekken. Het resultaat is niet alleen een - letterlijk - tijdloze kroniek over een jonge, worstelende schrijver die ontdekt dat klasse een kooi is waaruit je maar moeilijk kunt ontsnappen, het is tegelijk een respectvolle hommage aan het rauwe realisme van Roberto Rossellini en de smachtende melodramatiek van de vroege Luchino Visconti. Maar dan wel één die resoneert tot in het hier en nu, en die pertinente, kritische vragen stelt over de immer complexe relatie tussen groep en individu, verleden en toekomst. Hand in hand naar de bioscoop, kameraden!