De filmindustrieën van China, Japan en Zuid-Korea doen het de laatste decennia bijzonder goed en dat heeft ook zijn neerslag tijdens de Europese filmfestivals. Ook dit jaar zitten er weer zes Oost-Aziatische films in de officiële competitie. In de 71-jarige geschiedenis van Cannes lag dat getal weleens hoger, maar niettemin schept de line-up wel hoge verwachtingen.

China

Zo is de Chinees Jia Zhangke er weer bij met Ash is Purest White, een liefdesverhaal te midden van de Chinese criminele wereld dat zich afspeelt in de industriestad Datong. Zhangke is niet uit de selectie weg te branden. In 2008 sleepte hij een Palme d'Or in de wacht voor zijn dramafilm Xiao Wu. Voor A Touch of Sin won hij vijf jaar later de prijs voor beste scenarioschrijver.

Na de successen van Zhangke werd het stil in Cannes. Binnen de langspeelfilmsectie verslapte de Chinese invloed drastisch. De laatste film van Chinese bodem die gezegend werd met een Palme d'Or, was Apichatpong Weerasethakuls Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives uit 2010.

In de nevencompetities breken de Chinezen de laatste jaren meer potten. Zo selecteerde de jury van Un Certain Regard vorig jaar Li Ruijuns Walking Past the Future en maakte Chloé Zhao's The Rider deel uit van de Quinzaine des Réalisateurs-sectie. Dit jaar vertegenwoordigt Ming Zhang zijn thuisland in de laatstgenoemde categorie met het relatiedrama The Pluto Moment.

'Het aantal Chinese films in Cannes mag dan wel beperkt zijn, toch neemt de Chinese filmwereld actief deel aan Cannes', zei Isabelle Glachant, een Franse cineaste die in Beijing woont en werkt, vorig jaar in een artikel in Post Magazine. 'China wil deel uitmaken van het festival.'

Dat is niet ondenkbaar, want de entertainmentindustrie in China is in volle bloei. In 2015 alleen al kwamen er per dag gemiddeld 22 nieuwe films uit. Bovendien speculeert Time Magazine dat de Chinese filmmarkt de Noord-Amerikaanse in de nabije toekomst wel eens zou kunnen voorbijsteken.

Japan

Ook Japan is van de partij dit jaar en wel met een film van regisseur Hirokazu Kore-eda, ondertussen al een bekend gezicht in Cannes. In 2013 streed Kore-eda voor de Palme d'Or met zijn film Like Father, Like Son. Uiteindelijk won hij de juryprijs. Twee jaar later gebeurde hetzelfde met het zeemzoete Our Little Sister. Dit jaar pakt Hirokazu uit met Shoplifter; dat door het Amerikaanse blad Variety omschreven wordt als de hedendaagse Oliver Twist. Het verhaal gaat over een criminele familie die een verloren gelopen kind in huis neemt. In zijn film stelt Kore-eda de verbindende rol van familie in de snel groeiende Japanse maatschappij in vraag.

De tweede vertegenwoordiger van het land van de rijzende zon is Ryusuke Hamaguchi. Zijn intrigerende drama Netemo Sametemo gaat dit jaar in première op de Croisette en gaat over een mysterieuze ontmoeting tussen een vrouw en een man die niet is wie hij lijkt te zijn.

Net zoals China heeft ook Japan een aantal gevestigde regisseurs die eerder al de Japanse cinema op de kaart zetten in Cannes. Neem nu Naomi Kawase, die in 1997 de jongste winnaar werd van de Camera d'Or voor haar langspeelfilm Suzaku en die tien jaar later de Grand Prix won voor haar mysterieuze en meeslepende drama, The Mourning Forest.

Kawase, Kore-eda en Hamaguchi zijn de uitlopers van een florerende filmwereld die uit haar nationale voegen barst. De onafhankelijke films staan bekend om hun esthetische kwaliteiten. Ook de commerciële films doen het goed, in die mate dat ze in eigen land de helft van de markt inpalmen en zo de blockbusters uit Hollywood van de troon stoten.

Zuid-Korea

Na een periode van strenge censuur en quota beleeft de Koreaanse cinema sinds de jaren 90 een heuse renaissance. Zo verscheen nog een jaar geleden het spraakmakende drama The Day After. In 2017 was de genomineerde avonturenfilm Okja een parel bij uitstek. Dat werd grotendeels overschaduwd door de rel tussen Cannes en producent Netflix, die de Franse wet niet wilde volgen door de film eerst in de bioscoop uit te brengen en dan drie jaar te wachten voordat hij op de digitale abonnees zou worden losgelaten. Intussen investeeert Netflix fors in Zuid-Korea. Dit jaar komen er nog twee Koreaanse originals uit: Love Alarm, een reeks over vrijgezellen die een dating-app gebruiken, en het zombiedrama Kingdom.

Het is geen geheim dat de Zuid-Koreaanse filmindustrie de forcing voert in Azië. Het land breekt in Azië alle records op vlak van kijkcijfers met haar beklijvende, ultra-romantische series, en heeft een uiterst professionele knowhow op gebied van productie en cinematografie. Terecht dat de entertainmentindustrie in Korea Hallyuwood als bijnaam kreeg: het Koreaanse hallyu betekent nieuwe golf.

Die resulteerde al wel vaker in Cannes-succes, te beginnen met regisseur Park Chan-wook. Zijn controversiële klassieker Oldboy, werd in 2004 niet alleen door regisseur Quentin Tarantino de hemel in geprezen, maar haalde ook een Grand Prix binnen. Zo maakte Chan-wook de weg vrij voor nieuwe, veelbelovende Zuid-Koreaanse cineasten zoals Hong Sang-soo en Kim Ki-duk, die er al enkele jaren vaste gasten zijn.

Jaar na jaar belanden Koreanen met parels van films in de officiële competitie, maar een Gouden Palm zat er tot nu toe niet in. Brengt regisseur Lee Chang-dong daar dit jaar verandering in? Mogelijk: Burning, de langverwachte verfilming van een roman van Haruki Murakami, doet alvast veel stof opwaaien. Het verhaal draait rond drie jongvolwassenen en een mysterieus ongeluk. Na een zeven jaar durende break riep de regisseur onder andere acteur Steven Yuen (Okja en The Walking Dead) op om in zijn nieuwste langspeelfilm te schitteren.