Sinds 1982 stond Antonio Banderas al zeven keer op de set van een Pedro Almodovar-film, en dus was de Spaanse knuffelmacho de geknipte kerel om het alter ego van zijn ontdekker en mentor te incarneren in 'Dolor Y Gloria'.

Een tikje zelfgenoegzaam, en wat aarzelend uit de startblokken schietend, tot de radertjes beginnen te rollen.

De Madrileense Movida-meester richt zijn immer stijl- en kleurrijke camera deze keer op zichzelf. Of beter: op zijn alter ego Salvador Mallo, een ouder wordende filmregisseur die kampt met fysieke kwalen, met de hulp van heroïne afrekent met zijn demonen, een ex-minnaar en een ex-acteur over de vloer krijgt en onderwijl volop aan het mijmeren slaat over zijn geromantiseerde kindertijd in de schoot van zijn mama (Penélope Cruz).

Conform de Almodovar-canon levert dat ook nu weer een somptueus gefilmde, sierlijk tussen toen en nu zappende en intens melancholische mijmering over de luimen van de liefde en de kunst op. Eén die meer focust op de dolor dan op de gloria en waarin de gefêteerde maker van 'Todo Sobre mi Madre' (2000), 'Hable con Ella' (2002), 'Volver' (2006) en ander fraais al zijn stokpaardjes - moederliefde, (homo)seksualiteit, spiritualiteit, cinefiele en nostalgie - weer eens gracieus en beheerst berijdt.

De melancholie druipt er in dikke geuten vanaf.

Daarin laat Banderas, inclusief groezelige baard, al zijn ijdelheid varen als de gearriveerde filmregisseur die beseft dat de herfst van zijn succesvolle, maar kennelijk lang niet altijd rimpelloze leven nadert. Een tikje zelfgenoegzaam, en wat aarzelend uit de startblokken schietend, tot de radertjes beginnen te rollen, de personages volop tot leven komen, de kleuren uit het frame barsten en melancholie er in dikke geuten van afdruipt.