Over een gebrek aan appreciatie had Ray Bradbury, schrijver van 27 romans en meer dan zeshonderd kortverhalen, niet te klagen. Zijn Fahrenheit 451, over brandweermannen die in een niet zo verre toekomst boeken verbranden en weerspannige burgers die dan maar hele romans vanbuiten leren, belandde sinds de publicatie in 1953 in meer dan tien miljoen boekenkasten. Het boek pronkt in elke overzichtslijst van dystopische klassiekers, naast 1984 van George Orwell en Brave New World van Aldous Huxley, en wordt door zowel lezers als academici beschouwd als een van de vurigste aanklachten tegen censuur van overheidswege.
...

Over een gebrek aan appreciatie had Ray Bradbury, schrijver van 27 romans en meer dan zeshonderd kortverhalen, niet te klagen. Zijn Fahrenheit 451, over brandweermannen die in een niet zo verre toekomst boeken verbranden en weerspannige burgers die dan maar hele romans vanbuiten leren, belandde sinds de publicatie in 1953 in meer dan tien miljoen boekenkasten. Het boek pronkt in elke overzichtslijst van dystopische klassiekers, naast 1984 van George Orwell en Brave New World van Aldous Huxley, en wordt door zowel lezers als academici beschouwd als een van de vurigste aanklachten tegen censuur van overheidswege. Dat laatste is Bradbury altijd een doorn in het oog geweest. Hij had het boek namelijk niet zo bedoeld. In 2007, ruim vijftig jaar na de publicatie van Fahrenheit 451 en vijf jaar voor zijn dood, vond Bradbury dat hij lang genoeg op zijn tong had gebeten. In een interview met Los Angeles Weekly verklaarde hij fel en onomwonden dat Fahrenheit 451 in eerste instantie helemaal niet over overheidscensuur gaat. Het was ook geen reactie op de klopjacht die senator Joseph McCarthy en zijn commissie vanaf begin jaren vijftig organiseerden op vermeende communistische propagandisten in de Amerikaanse cultuursector en amusementsindustrie, zo bezwoer hij, ook al had hij destijds het tegenovergestelde beweerd. Met zijn boek, zei hij, wilde hij waarschuwen voor de toenemende invloed van televisie en hoe die op termijn de interesse voor literatuur en ernstige journalistiek zou verdringen. Het medium tv, dat begin jaren 50 nog in de kinderschoenen stond, zou volgens Bradbury 'mensen in idioten veranderen'. In Fahrenheit 451 heeft hij het over emotioneel verdoofde mensen die verslingerd zijn aan grote flatscreentelevisies waarmee ze met elkaar kunnen communiceren. Bradbury's toekomstbeeld was op bepaalde vlakken angstaanjagend accuraat, en dat wist hij zelf ook: in het bewuste interview merkt hij fijntjes op dat hij uiteindelijk gelijk heeft gekregen. Cultuurpessimisten die uit nieuwsgierigheid af en toe een portie van pakweg Gert Late Night tot zich nemen zullen met die bewering geen moeite hebben. Het hoeft niet te verbazen dat Bradbury zo zwaar tilde aan de verkeerde interpretatie van zijn belangrijkste literaire werk. Hij was, naast een auteur met een hoofd vol meeslepende, visionaire verhalen en een bestseller op zijn cv, in de eerste plaats een trotse, gedreven man. Jarenlang heeft hij zich, volkomen terecht, verzet tegen het Amerikaanse en bij uitbreiding het hele westerse literatuuronderwijs, dat kortverhalen, zijn geliefde discipline, ook vandaag nog degradeert tot minderwaardige schrijfsels en leerlingen aanmoedigt ze links te laten liggen. Het was ook zijn eerzucht die opspeelde toen hij in 2004 Michael Moore van diefstal beschuldigde. Die had voor zijn kritische docu Fahrenheit 9/11 zonder Bradbury's toestemming de titel van zijn boek verbasterd. Een verzoening zou uitblijven. Maar dat anderen hem vertelden dat hij zijn eigen werk verkeerd had begrepen, raakte Bradbury nog het meest. Toen hij tijdens een gastcollege geconfronteerd werd met een student die maar bleef doordrammen over hoe zijn boek waarschuwde voor censuur, wees hij naar zijn naam op de kaft. De boodschap: niemand hoefde hem te vertellen wat hij met zijn roman wilde zeggen. Hij had hem tenslotte geschreven. Toen dat geen zoden aan de dijk bracht en de wijsneus bovendien bijval kreeg van zijn medestudenten, verliet Bradbury foeterend de aula, verontwaardigd over zoveel onwil en onwetendheid. De vraag is of Bradbury ook vandaag zo gepikeerd zou reageren, nu in het Witte Huis een man woont die de persvrijheid geen warm hart toedraagt en de vierde macht en plein public de brandstapel op jaagt, luid toegejuicht door sympathisanten die, net als de personages in Fahrenheit 451, elke menselijke emotie zoetjesaan verdringen. Nu het boek meer dan ooit geldt als een waarschuwing dat het vrije denken, het vrije woord en ons vermogen tot empathie in gevaar zijn. Allicht zou ook Bradbury concluderen dat de lezer altijd gelijk heeft, en dat Fahrenheit 451, zelfs al had hij het niet zo bedoeld, geschreven is op maat van deze tijd. Al zit het er dik in dat hij de heel vrijblijvende en bovendien weinig getrouwe filmadaptatie van Ramin Bahrani niet had zien zitten.