Eerste zin Gelieve uw mobiele telefoons en alle andere elektronische toestellen uit te schakelen.
...

Eerste zin Gelieve uw mobiele telefoons en alle andere elektronische toestellen uit te schakelen. Toen Maud Vanhauwaert eind 2017 gevraagd werd om de nieuwe Antwerpse stadsdichter te worden, zegde ze alle bestaande afspraken af en liet ze alle gemaakte plannen varen. Ze wilde geven wat ze in zich had, voor de volle honderd procent. Dat merk je aan het ronduit grandioze Het stad in mij, het boek dat een overzicht geeft van wat ze de twee daaropvolgende jaren allemaal op poten heeft gezet. Stadsdichters schrijven gedichten, nemen we nogal makkelijk aan, maar dat deed Vanhauwaert net niet - of juist wel, natuurlijk. Feit is dat ze het niet deed op conventionele wijze. Zo bestond haar eerste gedicht Witruimte uit een reeks witte borden die door de stad werden gedragen. Het was eerder een vraag dan een uitroep, iets wat vaak terugkomt bij Vanhauwaert, die zichzelf geen politieke dichter noemt, maar natuurlijk wel genoodzaakt is om te reflecteren over de realiteit. 'Mijn pen is geen mes,' schrijft ze, 'hoogstens een vorkje dat af en toe iets uit de vergetelheid probeert te prikken.' En zo prikt ze fantastische gedichten over migratie, mobiliteit, dekolonisatie en de opwarming van de aarde, zaken waar een wereldstad als Antwerpen dagelijks mee te maken krijgt en die van Het stad in mij ook een tijdsdocument maken. Dat alles zou de indruk kunnen wekken dat Het stad in mij een doodserieus epistel is, maar dat is het dus zeker niet. Nog maar zelden zagen we een dichteres zo inventief en creatief omspringen met de conventies van taal en maatschappij. Typerend is You'll Never Guess Who, waarin ze aan de haal ging met het klassieke gezelschapsspel Wie is het? en er de stereotypen van blootlegde. Ze maakte het spel levensgroot en plaatste er foto's van echte Antwerpenaren in die anders waren, zoals Samuel, die geboren werd als meisje en een relatie heeft met een vrouw die geboren werd als jongen. 'Als ik mijn baarmoeder niet had laten weghalen,' merkte Samuel op, 'hadden we samen kinderen kunnen krijgen.' Ook qua vormgeving slaat Het stad in mij je trouwens met verstomming: een kleurige band in een wit foedraal, vol foto's en QR-codes die naar filmpjes leiden. 'Waarover we niet spreken kunnen,' knipoogt Vanhauwaert naar Ludwig Wittgenstein, 'zullen we het daar eens over hebben?'Tijdens je stadsdichterschap ben je vooral op zoek gegaan naar de plek waar poëzie en performance elkaar ontmoeten, lijkt het. Wat fascineert je daar zo aan?Maud Vanhauwaert: Ik heb poëzie altijd al willen losweken van het blad papier en opeens kreeg ik de kans om heel Antwerpen als medium te gebruiken. Welke vormen kan poëzie aannemen en hoe kan ik haar telkens weer herdefiniëren, vroeg ik me daarbij af. Ik wilde op zoek gaan naar grenzen. Wanneer is iets poëzie en wanneer wordt het dagdagelijkse communicatie of beeldende kunst? Helemaal in lijn daarmee moest er uiteindelijk ook een mooi uitgegeven boek komen, een object en een avontuur op zich. Papier vind ik dus helemaal niet minderwaardig, integendeel zelfs: ik hou enorm van bibliofiele uitgaven.2 'Sprakeloosheid' is een woord dat heel vaak terugkomt. Verwachten we van poëzie net niet dat ze spreekt?Vanhauwaert: Natuurlijk, maar ze schiet ook altijd te kort. Mijn sprakeloosheid kwam voort uit mijn eigen beperking. Ik woon in een stad waar meer dan vierhonderd talen worden gesproken, terwijl ik me zelf alleen maar kan uitdrukken in het Nederlands. Ik ben jaloers op mensen die in verschillende talen kunnen denken en merk vol verwondering hoe ze met iedere taal een andere persoonlijkheid lijken aan te nemen. Mensen denken vaak dat een dichter de taal wil vieren, terwijl ik daar toch vooral heel veel moeite mee heb, omdat taal veel beperkingen met zich meebrengt en omdat ze gevaarlijk is, want je kunt er mensen makkelijk mee manipuleren.3 Wat is de mooiste herinnering die je aan twee jaar stadsdichterschap overgehouden hebt?Vanhauwaert: De Toren van Babel, de viering van het meertalige Antwerpen, omdat het een project was dat me uiteindelijk totaal is ontgroeid. Het idee van die toren was makkelijk, maar hem ook werkelijk bouwen, wat kunstcollectief Rooftoptiger heeft gedaan met de hulp van honderden vrijwilligers en heel wat partnerorganisaties, was natuurlijk nog iets anders. Toen de toren er eenmaal stond, is het project een eigen leven gaan leiden. Ik had gewoon via de achterdeur kunnen verdwijnen en niemand zou mijn afwezigheid gemerkt hebben. Ik was bijna niet meer nodig, en dat is het mooiste wat je als maker kunt voelen. Eenzelfde gevoel heb ik trouwens bij dit boek. Eens het laatste punt gezet was het niet langer van mij, maar van de wereld. Het kan nu een eigen leven leiden.