Een jonge schrijver uit centraal-westelijk Australië ziet hoe steeds meer kleine stadjes zachtjesaan sterven en verdwijnen. Hoe komt dat, vraagt hij zich af. Hij besluit er een boek aan te wijden, reist naar zo'n stadje - schrijver en stad worden nooit bij naam genoemd - en probeert er via veldonderzoek achter de redenen voor de ontvolking te komen. Dat is het uitgangspunt van Shaun Prescotts Het verdwijnen.
...

Een jonge schrijver uit centraal-westelijk Australië ziet hoe steeds meer kleine stadjes zachtjesaan sterven en verdwijnen. Hoe komt dat, vraagt hij zich af. Hij besluit er een boek aan te wijden, reist naar zo'n stadje - schrijver en stad worden nooit bij naam genoemd - en probeert er via veldonderzoek achter de redenen voor de ontvolking te komen. Dat is het uitgangspunt van Shaun Prescotts Het verdwijnen. De jongeman wordt vakkenvuller in de lokale Woolworths-supermarkt en sluipt binnen in de geest van menig stadsbewoner, wat niet meteen een fraai plaatje van de Australische outback oplevert. Wanneer hij bijvoorbeeld in de bibliotheek op zoek gaat naar een boek over de lokale geschiedenis, raakt hij in gesprek met de bibliothecaris. Die bekent dat hij er ooit van droomde zelf een boek te schrijven waarin hij onderhuids de eenzaamheid van het leven in een klein godvergeten stadje wilde meegeven, maar dat hij daar nooit in geslaagd is, en dat hij dus maar gewoon eenzaam is gebleven. Tekenend is ook het station dat een museum is geworden. Iedere dag stipt om vijf uur passeert er een goederentrein waarvan iedereen denkt dat hij alleen maar rijdt omwille van het museum. Die sporen leiden nergens heen, weten ze, al vragen ze zich ook af waar die paar mannen die ooit achteraan op de trein sprongen uiteindelijk beland zijn. Arabieren, Aziaten en zwarten wonen inmiddels in de grote steden aan de kust, schrijft Prescott. Alleen blanken - veelal steuntrekkers en hopeloze sukkelaars - wonen nog in de kleine binnenlandstadjes. De schrijver merkt tot zijn verbazing - of is het genoegen? - dat het stadje niet alleen intellectueel stilaan verdwijnt, maar ook fysiek. Op een bepaald moment verschijnt er in het centrale park een put van zo'n twee vierkante meter in de grond, geen mens weet hoe diep. Dag na dag ontstaan er meer dergelijke putten. Huizen worden verlaten, de winkelstraten komen leeg te staan, hele blokken verdwijnen en Jenny, de waardin van het café waar de schrijver dagelijks over de vloer komt, beweert dat er nu echt volstrekt geen andere klanten meer zijn. Het verdwijnen zou je kunnen zien als een gigantische knipoog naar Het slot, een soort Kafka in Australië dus, waarbij Prescotts naamloze schrijver heel veel gemeen heeft met landmeter K. Geen van beiden krijgt immers echt vat op de gemeenschap waarin ze verzeild raken. Er wordt veel gepraat, maar of al die woorden zoden aan de dijk zetten, is onduidelijk. Waar gaat deze fabel over ondergang en verdoemenis dan in feite over, vraag je je bladzijde na bladzijde met stijgende verwondering af. Er wordt verwezen naar de wijzigende demografie, naar de klimaatcrisis en naar de wereldwijde verstedelijking die kleine stadjes onder druk zet en grote laat groeien als kankergezwellen, maar de werkelijke crux ligt elders, vermoed je. Dat vermoeden wordt bevestigd in Prescotts dankwoord, waarin hij eer betuigt aan het Wiradjani-volk dat oorspronkelijk in deze regio leefde en dat door de blanke kolonisten ruw aan de kant werd geschoven. De bewoners van de verdwijnende stadjes hebben geen toekomst. Het enige wat hen samenhoudt, is hun versie van het verleden, een versie die tegenwoordig steeds meer onder druk komt te staan, omdat ze gepaard gaat met diefstal en moord. Wie toekomst noch verleden heeft, rest slechts één ding, aldus Prescott: verdwijnen.