Lees ook: Zeven redenen waarom Lucky Luke straffer is dan Kuifje
...

JEAN-PIERRE MERCIER: Stéphane Beaujean, een van de artistieke directeurs van het festival, vond terecht dat er in de appreciatie van de Belgische naoorlogse strip een onevenwicht zat. Iedereen heeft het altijd over Hergé, Franquin, Jacobs, Peyo, Vandersteen, de tekenaars die België tot een stripland hebben gemaakt. Morris wordt vaak vergeten. Dat is vreemd, want Lucky Luke is enorm populair. Er zijn naar verluidt 300 miljoen albums van verkocht, dus het succes valt niet te ontkennen. Toch zijn er bijzonder weinig analyses van de reeks verschenen. Over Hergé is er een bibliotheek vol, over Franquin bestaat er ook heel wat, maar over Morris zijn er amper vier boekjes geschreven, waarvan er drie uitverkocht zijn. We hebben dus contact opgenomen met de familie van Morris. Die hebben we gerust kunnen stellen. MERCIER: We hebben hen gegarandeerd dat de originele tekeningen bij ons veilig zouden zijn. Morris had ook altijd gezegd dat hij zijn tekeningen niet wilde tentoonstellen, dus dat was een extra drempel. We hebben de familie ervan kunnen overtuigen om het toch te doen, omdat sinds Morris' dood vijftien jaar geleden veel veranderd is. De mensen zijn echt nieuwsgierig om die tekeningen te kunnen zien. De familie heeft uiteindelijk de toestemming gegeven om de werken te tonen. Ik zie nu tekenaars blij en ontroerd uit die tentoonstelling komen, zoals Jean-Claude Mézières van Ravian. Dan besef ik dat het belangrijk is om die originele tekeningen te laten zien. MERCIER: Zeer. Ze lopen hier rond op het festival, maar net als Morris vroeger, willen ze liever niet op de voorgrond treden. Zijn weduwe Francine is de negentig voorbij, dus zij raakte niet meer in Angoulême, maar ze heeft ons een prachtige brief geschreven. We vonden het heel belangrijk dat de tentoonstelling 'L'art de Morris' zou heten, 'de kunst van Morris'. We wilden aan het grote publiek tonen hoe een groot kunstenaar Morris eigenlijk was. Ik trek altijd de parallel met de films van Buster Keaton en Charlie Chaplin. Je kijkt ernaar, je lacht en je houdt er een positieve herinnering aan over, maar als je je er echt in verdiept, zie je pas hoe formidabel ze gemaakt zijn. Bij Morris is dat ook zo. Zijn manier van verhalen vertellen is zo efficiënt, zo helder, zo vlot. MERCIER: We hadden toegang tot 95 procent van het integrale oeuvre, want Morris had bijna al zijn originelen zelf gehouden. Dat waren dus honderden en honderden Lucky Luke-pagina's. Eén voor één hebben we al die verhalen gelezen van de originele tekeningen. Aan dat alleen al hebben we vier dagen gehad. Bij het bekijken van de tekeningen, zagen we dat hij niet alleen een efficiënt verteller, maar ook een buitengewone graficus was - de manier waarop hij de pagina indeelde, de grote plaatjes en de kleine, de speciale kleuren, de vormen die geregeld terugkeren... Hij was blijkbaar bezeten door cirkels en kruisen, want die komen vaak voor in zijn werk. Grote plaatjes, vanuit een vogelperspectief op een stadje, gebruikte hij ook graag - echte overzichtsshots zoals in de bioscoop, maar dan in een strip. We wilden de tentoonstelling dus niet organiseren rond de typische wildewestenclichés: de cowboys, de saloon, de prairie, de trein. In plaats daarvan wilden we tonen hoe Morris zijn werk aanpakte. Daarom is de tentoonstelling opgebouwd rond thema's als de inkleuring, de verhouding tussen zwart en wit of de weerkerende symmetrie. MERCIER: De 28ste pagina van De neven Dalton! Ze zit ook in de tentoonstelling. De Daltons komen binnen in een saloon. Ze gaan bij elkaar zitten, maar ze beslissen om zich op te splitsen en elk een andere kant uit te gaan om Lucky Luke te zoeken en te doden. Eerst zitten ze te discussiëren bij een biertje aan een ronde tafel die we van bovenaf zien. Je ziet hun armen die een kruis vormen op de cirkel van de tafel. Op het grote beeld eronder staat een wegwijzer met vier richtingen en elke Dalton vertrekt in een andere richting. Op dezelfde pagina worden dus de typische vormelijke motieven van Morris, kruis en cirkel, herhaald. Ze is duizelingwekkend, omdat alles erin zit. De houding van de personages zit goed, de dialogen van Goscinny zijn formidabel en erg grappig. Let ook op de herhaling van de Daltons. Eigenlijk is dat vier keer hetzelfde personage maar met een verschillende grootte, zoals Russische matroesjka's. Als we het doel van de tentoonstelling zouden willen samenvatten in één pagina, dan is het deze. Achter de grappen en het verhaal dat vanzelf lijkt te lopen, zit die hele gedachtegang over een zo helder mogelijke pagina-opbouw. MERCIER: Eén van de redenen is volgens mij dat hij heel zijn leven aan dezelfde serie heeft gewerkt, waardoor er een soort gewenning is opgetreden. De tweede reden is de humor. We hebben vaak de neiging om humor wat te onderschatten. Wat er ook toe bijdraagt dat zijn verdienste verwaarloosd wordt: er zit weinig evolutie in zijn tekenwerk. Hij heeft er tien jaar over gedaan om zijn stijl uit te kristalliseren, daarna paste hij hem gewoon toe. Stéphane heeft er een goede formulering voor: Morris 'codeerde' zijn tekeningen. Van zodra hij zijn weg had gevonden met grote plaatjes, kruisen, cirkels, stelde hij zich vooral de vraag hoe hij dit specifieke avontuur in beeld zou brengen, net zoals een Hollywoodregisseur zich dat zou afvragen. Hij vond zichzelf een vakman, maar hij was ook een kunstenaar. Hij was daarnaast erg op zichzelf, hij hield er niet van om zijn werk te analyseren. In 1964 heeft hij een toespraak gehouden aan de Universiteit Luik, waarin hij aangaf dat hij niet hield van academische praat, of die nu psychoanalytisch, semiotisch of linguïstisch was. Hij viel ervan in slaap. Hij heeft dus zelf serieuze analyses van zijn werk tegengewerkt.MERCIER: Sommige pagina's zijn echt uitgeleefd. We hebben de familie ervan overtuigd dat ze erg kwetsbaar waren. We hebben ze dus allemaal recto verso ingescand. In de loop van de tentoonstelling gaan we af en toe een pagina vervangen door een scan om ervoor te zorgen dat de originele tekeningen niet de hele tijd in het licht hangen. Daarna gaan we de reproducties inkaderen en die kunnen dan gaan reizen. Daar zijn de uitgever en het festival nu mee bezig. Er zijn al vragen geweest van steden, maar voorlopig is er nog niks definitief. Het zou natuurlijk leuk zijn mocht de tentoonstelling ook België aandoen.Gert Meesters