MORRIS DE STOUTE
...

Vanaf het eerste verhaal van Lucky Luke in 1946 lag Morris overhoop met zijn uitgever Charles Dupuis. Lucky Luke begon te roken net omdat Dupuis dat niet wilde. De cowboy moest in diens optiek een voorbeeld zijn voor de jeugd, Morris vond dat saai. Lucky Luke schoot aanvankelijk boeven gewoon dood, maar hier beslechtte Dupuis, die uit angst voor censuur in het lucratieve Frankrijk aanpassingen eiste, het pleit wel in zijn voordeel. Zo knalt Lucky Luke in de eerste versie van Vogelvrij Bob Dalton door het hoofd, maar in de definitieve scène wordt diens dood buiten beeld gehouden. Prostituees in saloons mocht ook al niet van Dupuis, wat Morris later radicaal oploste. In 1968 veranderde hij van uitgever om van het gezeur af te zijn. Al snel, in Dalton City, voerde hij een lading wulpse barmeiden op. Wat kan de brave scout met de kuif daartegen inbrengen? Morris en René Goscinny leerden elkaar kennen toen ze begin jaren 50 beiden in New York woonden. Lucky Luke was nog geen groot succes en Asterix bestond nog niet. Jaren later, terug in Europa, begonnen ze samen te werken - vanaf De spoorweg door de prairie, in 1955. De twee vormden 39 albums lang een gouden tandem, tot Goscinny's dood in 1977. Het wilde Westen en zijn outlaws werd door Goscinny met veel liefde geparodieerd. Het duurde tot de ladderzatte versie uit de tv-serie Deadwood dat we ons een andere Calamity Jane konden voorstellen dan het manwijf uit Lucky Luke. En albums als Billy the Kid of Tenderfoot zijn gewoon grappiger dan Jansen en Janssen met groene snor. Punt. Terwijl Hergé de werkelijkheid er in zijn kleurenalbums vooral braaf laat uitzien, smakt Morris harde, primaire kleuren op de pagina's. Lucky Lukes kostuum zou niet bepaald op de goedkeuring van Jani Kazaltzis kunnen rekenen - wie combineert nu een jeans met de Belgische driekleur? Maar vanaf De trek naar Oklahoma (1960) wordt het nog veel zotter, want nu kunnen Morris' personages helemaal rood zijn, de lucht knalgeel en al de rest donkerblauw of bruin. En het ziet er nog goed uit ook! De film When the Daltons Rode (1940) gaf Morris het idee om de historische roversbende ook in zijn strip te gebruiken, maar al aan het eind van hun eerste verhaal, Vogelvrij, liggen ze alle vier onder de zoden - in kisten van verschillende lengte, dat spreekt. Morris betreurde dat al snel, maar geen nood: Goscinny wekte ze in 1957 opnieuw tot leven als de neven Dalton, een veel dommere en grappiger versie van de vier boeven. Tien jaar later zijn Joe, Jack, William en Averell al zo populair dat Les Dalton - herinner u de verfijnde zinsnede 'Tagada, tagada, voilà les Dalton' - de eerste monsterhit werd voor chansonnier Joe Dassin. Het is nog altijd wachten op een gelijkaardig succes voor Kuifjes aartsvijand Roberto Rastapopoulos. Morris begon zijn carrière als animatiefilmer. Lucky Luke heeft dus beweging in zijn genen. In de eerste verhalen had hij zelfs maar vier vingers, zoals Mickey Mouse. De lange animatiefilms Daisy Town (1971), De ballade van de Daltons (1978) en De Daltons op de vlucht (1983), de tv-serie van Hanna-Barbera in de jaren tachtig: allemaal tonen ze dat de relatie van Lucky Luke met het medium film veel minder krampachtig is dan die van Kuifje. Zelfs Spielbergs supercomputers konden Hergés tekeningen niet echt laten bewegen. Een andere look was de enige oplossing voor de Kuifje-film. Van Lucky Luke zijn er wereldwijd miljoenen albums meer verkocht dan van Kuifje. Klein kunstje, repliceert u: er zijn veel meer verhalen van Lucky Luke. Maar het gaat verder dan dat. Morris, alias Maurice De Bevere, kwam uit een gegoede familie die een pijpenfabriek had in Kortrijk, maar zijn strips hadden weinig last van pretentie. Uit zijn kindertijd bewaarde hij een fascinatie voor cowboys en vooral voor de westernseries in de bioscoop, en hij probeerde zijn lezers eenzelfde soort volks amusement te bieden. We geven het toe: Kuifjes trouwe viervoeter Bobbie heeft op een onbewaakt moment enkele woordjes gesproken en knabbelt af en toe wat boeien door. Maar dat is klein bier vergeleken met Jolly Jumper. De appaloosa van Lucky Luke leeft niet zomaar in symbiose met zijn berijder. Het is het enige paard dat schaakspeelt, zijn humor is nog onderkoelder dan die van zijn baas en hij haalt de poor lonesome cowboy geregeld uit de penarie. Francine, de weduwe van Morris, geeft aan waarom: 'Morris is Lucky Luke beginnen te tekenen omdat hij zo graag paarden wilde tekenen.' Jolly Jumper is dus de held en Lucky Luke toevallig zijn berijder. Gert Meesters