Op een bepaald moment zegt iemand tegen je hoofdpersonage Paul dat hij zijn verleden moet koesteren omdat het hem gemaakt heeft tot wie hij is. Geldt dat ook voor het Twentse verleden van Tommy Wieringa?

Tommy Wieringa: Mijn leven lang ben ik op zoek geweest naar de ruimte die ik heb mogen smaken in het Twente van mijn jeugd. Ik associeer die sterk met autonomie. Ik begrijp ook heel goed waarom onder de weidse woestijnhemelen van het Midden-Oosten drie monotheïstische godsdiensten zijn kunnen ontstaan. Je hebt daar ruimte voor je verbeelding. Twente is als West-Vlaanderen of Picardië. Ik ga er nog regelmatig heen. Als ik er aan de bar zit en zeg dat ik nog naar huis moet, een stukje boven Amsterdam, merk ik steeds die verbluftheid op de gezichten: 'Moet je nog helemaal naar Amsterdam?' Terwijl dat hoop en al twee uur rijden is. Nederland is een klein land, maar als je het mentaliteitsverschil tussen oost en west bekijkt, heeft het continentale afmetingen. In het oosten heerst een sterk minderwaardigheidsgevoel dat met grootspraak wordt toegedekt. 'Uit gouden korenaren schiep God de Twentenaren, ' luidt een befaamd gezegde, 'uit het kaf en de resten de mensen uit het westen.'

Een belangrijk thema in het boek is de relatie tussen vader en zoon wanneer de moeder afwezig is. Ook jij hebt dat meegemaakt. Wat doet dat met een mens?

Wieringa: Wanneer een zoon zich niet op tijd losmaakt van zijn vader, zoals dat met Paul het geval is, blijft hij voor altijd onvolgroeid. In Genesis staat al dat je je eigen vlees moet aankleden en je ouderlijk huis verlaten. Als je je niet aan die opdracht houdt, daalt er een hemelse vloek over je heen.

Je verwijst nu wel heel vaak naar religie. Dat lijkt ook in je werk een terugkerend thema. Enig idee waarom?

Wieringa: Mijn eerste tranen die ik me herinner, heb ik vergoten toen mijn ouders me op mijn achtste meenamen naar Jesus Christ Superstar. Ik zag toen hoe die zielige man met die waterige blauwe ogen die zo mooi kon zingen vermoord werd door die Romeinse rotzakken met vervaarlijke helmen op het hoofd. Ik zat bij mijn vader op schoot en was ontroostbaar. Het eerste boek dat ik me herinner, is de kinderbijbel die mijn moeder me voorlas. Uiteindelijk ben ik er een niet-belijdende cultuurchristen door geworden. Voor mij stijgt uit de Bijbel het lijden van de mens op, gecombineerd met zijn schreeuw om het vullen van die verdrietige kosmische leegte om hem heen.