Een oudere man trekt zich terug in een verlaten dorp ergens in de Apennijnen. Alle huizen staan leeg en zakken zachtjesaan in elkaar. Ook de man voert een dagelijks gevecht tegen wegglijdende dakpannen en scheef hangende luiken. Hij wil verdwijnen, zegt hij, en daarbij de wereld om zich heen zo weinig beroeren. Wanneer hij bijvoorbeeld een koppel dassen verstoort dat zijn pad kruist, waardoor de twee van elkaar gescheiden raken, keert hij terug op zijn stappen en wacht hij in de verte tot ze weer verenigd zijn. Hij is gelukkig in zijn nietigheid, en zijn berusting wordt slechts door één zaak gestoord: het lichtje aan de overkant van het dal dat 's avonds aangaat en hem doet vermoeden dat ook daar iemand helemaal alleen op een bergflank woont.
...

Een oudere man trekt zich terug in een verlaten dorp ergens in de Apennijnen. Alle huizen staan leeg en zakken zachtjesaan in elkaar. Ook de man voert een dagelijks gevecht tegen wegglijdende dakpannen en scheef hangende luiken. Hij wil verdwijnen, zegt hij, en daarbij de wereld om zich heen zo weinig beroeren. Wanneer hij bijvoorbeeld een koppel dassen verstoort dat zijn pad kruist, waardoor de twee van elkaar gescheiden raken, keert hij terug op zijn stappen en wacht hij in de verte tot ze weer verenigd zijn. Hij is gelukkig in zijn nietigheid, en zijn berusting wordt slechts door één zaak gestoord: het lichtje aan de overkant van het dal dat 's avonds aangaat en hem doet vermoeden dat ook daar iemand helemaal alleen op een bergflank woont. Antonio Moresco's Het lichtje in de verte is niet alleen het verhaal van een man die op zoek gaat naar zijn lotgenoot aan de overkant van het dal - een kleine jongen, zo blijkt, die helemaal alleen woont en met wie hij geleidelijk een band opbouwt - het is ook een verkenning van wat het betekent om mens te zijn in een wereld die als puntje bij paaltje komt nergens toe lijdt en op weg naar dat nergens alleen maar pijn oplevert. Door de uitgestrekte bossen wandelend ziet de man uit Moresco's roman hoe het struikgewas zich over de grond verspreidt en zich om de boomstammen wikkelt in een poging die te versmachten. Op een dag wordt hij in zijn auto omsingeld door een meute verwilderde honden die tegen zijn ramen op springen, op zijn motorkap klimmen, en zelfs op zijn dak, waardoor hij nog amper vooruit of achteruit durft. Van tijd tot tijd voelt hij de aarde beven en hoort hij onbestemde geluiden in huis. Ook de regen, die tot woest kolkende rivieren leidt, vormt een bedreiging die ten overvloede de nietsontziende en doelloze kracht van de natuur illustreert. 'Waar kan ik heen om die ravage niet langer te zien, die onherstelbare, blinde wringing die ze leven hebben genoemd?' vraagt de man zich regelmatig tevergeefs af. Nee, Het lichtje in de verte is geen sprookje. Of misschien wel, maar dan eentje dat ontsproten is aan de geest van Angela Carter. Moresco laat zijn verhaal het levensritme van zijn oude man volgen. Het lichtje in de verte is daardoor een boek dat je traag moet lezen (wat je trouwens ook automatisch gaat doen). De zomer gaat over in de herfst en daarna komt de winter, die de sowieso al moeilijk berijdbare, want volstrekt verwaarloosde en gescheurde wegen volstrekt onbegaanbaar maakt. Dit boek heeft slechts één doel voor ogen, heb je al lang voor het einde door: het absolute niets van het aan de stiltedood gestorven heelal. En de dood is dan ook alomtegenwoordig. Zo is Stucco, zoals de kleine jongen aan de overzijde van het dal heet (een bijnaam die hij kreeg nadat gebleken was dat hij op school de stopverf uit de ramen pulkte en opat), ook niet meer onder de levenden. Hij pleegde zelfmoord, vertrouwt hij de oude man toe, omdat hij gepijnigd werd door de wereld. En hij is zeker niet de enige, voegt hij er nog aan toe. 'Wat zielig,' denkt de oude man daarop, als was hij een leerling van Friedrich Nietzsche, 'al die dode kinderen. Maar zijn levende kinderen niet net zo zielig?'