Auteur Marente de Moor: ‘De hele Russische bevolking moet opnieuw opgevoed worden’

Marente de Moor, auteur van De Bandagist © Eddo Hartman
Roderik Six
Roderik Six Journalist voor Knack

Marente de Moor windt in De bandagist de lezer rond haar vinger. Haar nieuwe roman leest als een griezelige zedenschets over een verloren generatie. ‘Ik ben blij dat ik in een dorp woon, ver weg van Amsterdam.’

In haar nieuwe roman De bandagist schetst de veelbekroonde Nederlandse schrijver Marente de Moor een prangend beeld van een verloren generatie. De 29-jarige Joost wilde ooit professioneel gitarist worden, maar in de bikkelharde werkelijkheid van Amsterdam blijkt er weinig vraag naar ongeschoolde jazzmuzikanten. Dus overleeft hij, op de rand van de armoede, als bandagist. Hij fietst de stad rond en gaat op bezoek bij vereenzaamde bejaarden om hun benen en voeten in te zwachtelen. Ingegroeide verbanden, wondvocht, pus en oedemen zijn dagelijkse kost voor hem. Prettig is anders, maar dat is het minste van zijn zorgen.

Vrees niet, in haar overigens prachtig vormgegeven roman – een omwikkeld boek – is het niet al kommer en kwel. De Moor schrijft spits, en de soms spottende toon maakt haar maatschappijkritiek vlot behapbaar.

De bandagist straalt metier uit, en met zo veel literaire kwaliteit lijkt een podiumplaats in het literaire prijzencircuit al verzekerd. Zelf blijft ze liever sierlijk bescheiden. Wanneer ze op mijn scherm verschijnt, deinst ze terug voor zo veel lof: ‘Niet dat ik het voetlicht schuw, maar ik ben blij dat ik nu in een dorp woon in Zuid-Nederland, ver weg van de culturele reuring in Amsterdam. Door omstandigheden was ik een tijdje geleden weer in Amsterdam gehuisvest, en dan voel je de literaire collega’s toch over je schouder loeren. Dan ga ik naar de glasbak en hangt daar een grote poster van Ilja Leonard Pfeijffer waarop gepronkt wordt met zijn bestseller: ‘250.000 exemplaren verkocht!’ Daar sta je dan, wijnflessen te dumpen, terwijl Pfeijffer grijnzend de druk opschroeft. Op het platteland heb ik die zorg niet: de kans dat een lezer je in het bos aanklampt met complimenten of commentaar is schrikbarend klein.’

Jouw hoofdpersonage heeft naar literaire maatstaven een wel zeer origineel beroep. Hoe ben je daarbij gekomen?

Marente de Moor: Simpel: mijn partner is bandagist, hoewel hij dat woord verouderd vindt. Compressietherapeut, dat is de juiste term. Het was ook dankzij zijn werk dat we terug in Amsterdam belandden en als we dan door de stad wandelden, wees hij de gevels aan waarachter zijn patiënten woonden, telkens met de kwaal erbij – oedeempje hier, open wonde daar. Achter die mooie gevels zit veel eenzaamheid verborgen, sommige bejaarden komen al jaren niet meer buiten. Alles wordt voor hen aan huis geleverd, en als je niet goed ter been bent, waag je je ook niet buiten. Amsterdam is een snelle, flitsende stad geworden. Iedereen racet er rond op elektrische fietsen, met een rollator word je zo van de weg geknald. In die cleane stad is geen plek meer voor trage bejaarden die wat slomer denken. Alle rafelrandjes zijn weggepolijst, de stad behoort nu aan de havermelkelite, de nieuwe yuppies die in ijltempo hun leven opbranden. Het contrast tussen die twee snelheden, tussen die twee tijdzones, vond ik bijzonder boeiend en in dat spanningsveld is De bandagist ontstaan.

Was het moeilijk om je in een 29-jarige man te verplaatsen?

De Moor: Het is gek, maar als ik terugblik op mijn oeuvre blijken veel van mijn hoofdpersonages een man. Geen bewuste keuze, het is steeds het verhaal dat dit dicteert. Sommige zaken, zoals het taalgebruik, heb ik wel gecheckt bij de millennials in mijn vriendenkring, maar verder heb ik niet nodeloos veel research gedaan. Toen ik De Nederlandse maagd schreef, een historische roman, heb ik gemerkt dat te veel onderzoek het verhaal in de weg kan staan.

Een van de centrale thema’s in je boek is de huizencrisis, die ook in Vlaanderen toeslaat. We werden recentelijk nog door Europa op de vingers getikt voor ons rampzalig woningbeleid. Hoe is het zover kunnen komen?

De Moor: Te veel mensen, te weinig huizen. We hebben jarenlang geen beleid gevoerd en de boel overgelaten aan de vastgoedlobby. Tel daarbij de influx van expats die op kosten van multinationals waanzinnige huurprijzen betalen, en je drijft de woonkost zeer snel op. Dan krijg je een generatie die geen huis kan betalen maar wel nog de indruk wil wekken dat ze meekunnen in een stad die baadt in luxe. Het weinige geld dat ze nog hebben, spenderen ze dan aan elektronische gadgets, of ze pronken op Instagram met een sterrendiner, waarna ze op hun fietsje afdruipen richting een of ander bezemhok dat ze met drie andere paupers moeten delen.

Om te ontsnappen aan zijn ellende gebruikt Joost handenvol drugs. Je hebt ongetwijfeld de nodige research gedaan?

De Moor: Ik ben niet vies van geestverruimende middelen, maar in deze roman heeft dat escapisme een duidelijke metaforische functie. Joost moet letterlijk ontsnappen aan zijn benauwende leefruimte, en in zijn roes vindt hij ook verbinding met de raaskallende gedachtegang van zijn dementerende patiënten. In sommige culturen worden ouderen als sjamanen en orakels geëerd, maar wij weten ons er geen raad mee. Nog zo’n probleem waarin we gefaald hebben: ouderenzorg. We wisten donders goed dat de vergrijzing op ons afkwam, maar de beleidsmakers hebben moedwillig weggekeken.

Volgens Joost heeft het coronavirus, nu vijf jaar geleden, het probleem alleen maar erger gemaakt.

De Moor: Dat is ook zo. Iedereen moest binnen blijven, en zo werd de eenzaamheid van veel bejaarden bestendigd. Het is ook een rijke en individualistische generatie: ze hebben ruime huizen, geld en een ingebakken zelfredzaamheid. Dan is een lockdown geen kwelling. Alleen heeft niemand hun verteld dat ze na de epidemie ook weer buiten mochten komen. Zitten ze daar te vereenzamen in hun herenhuizen, en eens de dementie toeslaat, wordt de buitenwereld een zeer boze plek die je beter mijdt.

Joost lijkt zowat de laatste lezer op aarde. Is het zo erg gesteld met de ontlezing?

De Moor: Als je in Amsterdam langs die mooie grachtenpanden loopt, zie je achter de ramen torenhoge boekenkasten – boomers zijn de laatste grote leesgeneratie. Onze grootouders mankeerden de academische opleiding om literatuur te lezen, en de jongeren missen het concentratievermogen. Ik vroeg me af, met lichte wanhoop, wat er met al die boeken gaat gebeuren. Niemand wil ze nog – zelfs die boekenkastjes op straat zitten tjokvol romans, allemaal gratis, maar niemand die ze meeneemt.

‘Based on a true story? Alsof dat het verhaal beter maakt!’

Hij sakkert op zijn generatiegenoten, die bezeten zijn door autofictie. Dat genre is duidelijk ook niet aan jou besteed.

De Moor: (blaast) Saai! Doodsaai! Al die navelstaarderij, wat een vernauwing van de literatuur. Een-op-een overschrijven van de werkelijkheid, wat heb je daaraan? Je ziet het ook in tv-reeksen: ‘based on a true story’. Alsof dat het verhaal beter maakt. Het is te hermetisch afgebakend door de feiten, en dus eenrichtingsverkeer. Terwijl goede literatuur de brug slaat, een dialoog op gang brengt tussen auteur en publiek.

Je hebt acht jaar in Rusland gewoond. Heb je de huidige oorlog zien aankomen?

De Moor: Helaas wel. In de periode dat ik er woonde, vlak na de val van het IJzeren Gordijn, was ik nog optimistisch: Rusland ontdooide, er gloorde hoop, er was toenadering tot het Westen. Tot Vladimir Poetin en zijn trawanten aan de macht kwamen en samen met de orthodoxe kerk het land bombardeerden met nationalistische propaganda. De bevolking werd gebrainwasht en opgehitst – het Westen was de baarlijke duivel, de NAVO een nazistische krijgsmacht. Amper een half jaar na Poetins aantreden ben ik gevlucht omdat mijn Russische vrienden helemaal meegingen in die valse retoriek.

‘De hele Russische bevolking moet opnieuw opgevoed worden.’

De Westerse media namen Poetin ook jarenlang niet serieus. Elke keer onderschatten we regimes die de geschiedenis herschrijven. Nee, ik zie geen oplossing, zeker niet nu Donald Trump zo gretig Poetins hielen likt. Zelfs al schakelen we die dictator uit, dan nog blijft de indoctrinatie op volle toeren doordraaien – de hele bevolking moet opnieuw opgevoed worden vooraleer er een schijn van vrede mogelijk is. Alleen zie ik dat niet gebeuren. Als je hoopte op een vrolijke slotnoot, dan ben je helaas aan het verkeerde adres.

De bandagist

Nu uit bij Prometheus.

Marente de Moor

Geboren in 1972 in Den Haag in een kunstenaarsfamilie.

Woont vanaf 1991 acht jaar lang in Rusland, een periode waarover ze columns schrijft voor De Groene Amsterdammer, later verzameld in Petersburgse vertellingen (1999).

Wint met haar tweede roman De Nederlandse maagd (2011) de AKO-Literatuurprijs en de Literatuurprijs van de Europese Unie. Voor Foon (2018) krijgt ze de Jan Wolkersprijs en de F. Bordewijk-prijs.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content