Twaalfhonderd pagina’s liefde voor het meest gehate land ter wereld: de VS. Zwagerman presenteert het in een kloeke box, maar vergeet ook daarbuiten te denken.
AMERICANA *
Joost Zwagerman, Arbeiderspers, 1210 blz., ? 49,95.
Geen enkel ander land dat zo tot de verbeelding spreekt – of misschien zelfs volledig uit verbeelding is opgetrokken – als Amerika. De Nederlandse auteur Joost Zwagerman is er al sinds zijn jeugd aan verslingerd en pende die fascinatie een leven lang neer in allerlei essays, die nu gebundeld werden in een prachtig uitgegeven verzamelbox. Dat zou een Fourth of July-vuurwerk moeten opleveren, maar na al een paar essays doemt een Enschede-scenario op. Want in tegenstelling tot zijn voorbeelden, de filosofen Alexis de Tocqueville en Bernard-Henri Lévy, is Zwagerman nooit uitgebreid op reis geweest door Amerika. Met enige reiswee bekent hij zijn verlangen om de punkclub CBGB te bezoeken, of Greenwich Village, of het Chelsea Hotel, of de Rothko-kapel in Houston, of het roodgeverfde huis waar W.S. Burroughs zijn laatste dagen sleet, of Cornisch, waar J.D. Salinger zich schuilhoudt…
Vreemd. Een Amerika-liefhebber die al dat moois nog niet bezocht heeft. Neen, Zwagerman is lekker knus thuisgebleven en heeft zich verdiept in biografieën, interviews en hele literaire oeuvres, wat maakt dat zijn essays heel erudiet en onderbouwd overkomen, maar de lezer ook op zijn honger laten. Doorleefd en doorreisd zijn ze niet – je mist de scherpe anekdotische observatie van een reisschrijver die echt ter plekke is geweest, denk aan Boudewijn Büch of, recenter, Geert Mak – en op het tweede gezicht zijn ze ook niet bijster interessant. Vaak presenteert Zwagerman een nijvere samenvatting van alle lectuur die hij achter de kiezen heeft, zij het zonder persoonlijke invalshoek of zelfs maar een onderbouwde mening. En heel diepgravend wordt het ook nooit. Na vijfhonderd pagina’s overvalt je het griezelige gevoel weer op de middelbare school te zitten – Zwagermans ideale doelpubliek blijkt een leergierige zestienjarige; hij vat netjes samen maar roept nooit vragen op en serveert liever algemene weetjes dan doorgedreven analyses. Plots besef je: ‘Dit weet ik al allemaal’, en, veel erger: ‘Dit staat zoveel overzichtelijker op Wikipedia.’
Soms gaat Zwagerman ook heel pijnlijk uit de bocht. Een essay over Cobain beslaat drie pagina’s: verder dan een lachwekkende freudiaanse analyse van diens zelfmoord komt hij niet. Of hij spreekt zichzelf tegen: heeft Kerouac On the Road nu in drie weken geschreven of niet? Het antwoord varieert naargelang welk essay je aan het lezen bent. Wanneer Zwagerman zijn held Lou Reed mag interviewen, probeert hij Reed voor schut te zetten door de vragen weg te laten, wat resulteert in typisch ijdel Reed-gezwets over het belang van een goeie zonnebril. Plaatsvervangend schaamte – zij het voor beide partijen: Zwagerman toont zich geen nobel journalist en probeert zijn eigen onkunde te maskeren door zijn geliefde onderwerp te kakken te zetten.
Americana laat je met een wrang gevoel achter. Weet Zwagerman na levenslange studie niet beter, of is de Amerikaanse cultuur echt zo oppervlakkig als het cliché wil? U waagt zelf maar een onderbouwde Vegas-gok.
RODERIK SIX
CENTRALE ZINNEN: Literatuur is geen product en zal het ook nooit worden – en literatuur wordt dus ook niet steeds beter, mooier, sneller of geavanceerder.
Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier