Mascha Schilinski’s Sound of Falling is een spookachtig mooie kroniek van vrouwenlevens die door tijd, muren en lichamen heen blijven resoneren.
‘Herinneringen zijn de enige hel die we zelf creëren’, zei de Duitse dichter en dadaïst Max Ernst ooit, en dat is bij Mascha Schilinski duidelijk in het achterhoofd blijven hangen. Haar tweede langspeler – haar debuut Die Tochter (2017) passeerde vrij geruisloos – ontvouwt zich immers als een klamme koortsdroom die weigert uit te leggen waar hij vandaan komt. Maar Sound of Falling (In die Sonne schauen), vorig jaar in Cannes bekroond met de juryprijs en inmiddels op de shortlist voor de Oscars, is dan ook een intens picturale film die zijn innerlijke mysterie nooit prijsgeeft, maar je langzaam naar binnen trekt, als een oud huis dat ademt en fluistert door al zijn kieren heen.
Vier tijdlijnen, één hoeve in de Noord-Duitse Altmark, ergens in de bossen tussen Hamburg en Berlijn: in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog kijkt de jonge Alma met kinderlijke onschuld naar een herenboerenfamilie die binnen behoorlijk verrot blijkt. Decennia later ontwikkelt Erika op dezelfde plek een morbide fascinatie voor een geamputeerde oom en voor haar eigen fragiele zelfbeeld, terwijl de wereld buiten in brand staat. In de jaren tachtig, onder de DDR, probeert Angelika te ontsnappen aan een verstikkende familiehiërarchie die haar lichaam en verlangens koloniseert; en vandaag zoekt Lenka houvast in een vriendschap die meer vragen oproept dan antwoorden geeft. De jonge vrouwen ontmoeten elkaar nooit letterlijk, maar hun echo’s lekken door muren, generaties en lichamen heen.
Schilinski – die het script schreef in de hoeve waar de film zich afspeelt, weeft die vrouwenlevens door elkaar alsof tijd een vermolmde trap is waar je voortdurend doorheen dreigt te zakken. De film echoot Michael Hanekes Das weisse Band in zijn klamme morele mist, maar ook Ingmar Bergmans feminiene sixties‑sonates, waarin elke blik kan aanzwellen tot een biecht. En ergens, in de rafelranden, duikt de nerveuze energie op van Jane Campions debuut, Sweetie, en de melancholische zelfontleding van An Angel at My Table. Het is cinema die niet zozeer vertelt maar wel fluistert – en soms sist.
De cinematografie van Fabian Gamper verdient een eigen altaar: strak en spookachtig tegelijk, gedraaid in het bijna vierkante 1.37:1‑formaat dat elke kamer tot een kist en elke blik tot een beklemmende close‑up maakt, alsof daguerreotypen zich hebben losgemaakt van hun glasplaten en nu door de ruimtes dwalen. De hoeve wordt op die manier een heimat in dagboekvorm, een nest en kooi tegelijk, een plek waar herinneringen zich opstapelen als stoflagen die niemand durft weg te blazen. Ondertussen bouwt de geluidsband – een subtiel spel van stiltes, ruisende wind en bijna onhoorbare dreunen – spanning op alsof er elk moment iets kan gefluisterd worden dat niemand durft te horen. De Unheimlichkeit zit dan ook niet in jump scares maar in het besef – of beter: in het haast tastbaar gemaakte gevoel – dat elke generatie dezelfde schaduw opnieuw lijkt uit te vinden.
Sound of Falling is geen puzzel die opgelost wil worden. Het is cinema die blijft hangen, in je hoofd en je lijf, zoals een herinnering waarvan je zeker weet dat ze niet de jouwe is, maar toch akelig herkenbaar voelt. Of zoals ze in Die Heimat zeggen: ‘Nichts vergeht, alles bleibt, nur anders.’