Waarschuwing: dit stuk bevat spoilers voor de hele reeks van The Queen's Gambit.
...

Waarschuwing: dit stuk bevat spoilers voor de hele reeks van The Queen's Gambit. Op 10 juli 1884 werd Paul Morphy dood aangetroffen in het bad van zijn huis in New Orleans. Het was het trieste, roemloze einde van de grootste schaker van de negentiende eeuw. Op zijn twaalfde had hij gewonnen van een Hongaarse professionele schaakmeester die toevallig in New Orleans passeerde. Op zijn twintigste werd hij Amerikaans kampioen. Op zijn eenentwintigste reisde hij naar Europa en werd hij de beste speler ter wereld. Zijn dominantie was zo groot dat hij na een tijdje alleen nog met handicaps wilde spelen. Het meest tot de verbeelding spraken zijn geblinddoekte exhibities, waarin hij acht tegenstanders tegelijk versloeg. Maar misschien wel zijn indrukwekkendste stunt was die keer in 1859 dat hij simultaan tegen vijf schaakmeesters speelde, de top van de Europese schaakwereld: Morphy speelde twee keer gelijk, won twee spellen en verloor er maar eentje. Dat overwicht werd ook zijn ondergang. Bij zijn terugkeer uit Europa keerde Morphy de schaakwereld verveeld de rug toe en begon hij een advocatenkantoor. Hij ging failliet: zijn cliënten wilden met hem over schaken praten, niet over rechtszaken. Zijn roem bleef hem achtervolgen, terwijl hij steeds meer aan lagerwal raakte. Tot hij in 1884 op een warme dag in een koud bad stapte en een hartstilstand kreeg. Hij was 47. 'De trots én het verdriet van de schaakwereld', zoals Paul Morphy genoemd werd, geldt als een soort parabel in schaakmiddens. Een waarschuwing voor hoe een genie ten onder kan gaan aan zijn eigen genialiteit. Het is dan ook niet toevallig dat net zijn naam valt in The Queen's Gambit, Netflix' verrassingshit over een wonderkind op weg naar de top in het schaken. In de vijfde aflevering krijgt dat wonderkind, Beth Harmon, een boek cadeau van Harry Beltik, een voormalige tegenstander die zichzelf tot haar mentor heeft opgeworpen: Paul Morphy and the Golden Age of Chess. 'Denk je dat ik ook zo ga worden?' vraagt Harmon. 'Ik denk dat je zo bént', is Beltiks antwoord. Heel lang lijkt het alsof The Queen's Gambit dat soort verhaal zal worden: het verhaal van een wonderkind uit de schaakwereld, verslaafd aan pillen, dat finaal ten onder gaat aan haar talent. Ook al omdat je het al zo vaak eerder in films hebt gezien, van A Beautiful Mind over At Eternity's Gate tot Steve Jobs: genieën eindigen nooit goed. Maar Beth Harmon is geen Paul Morphy. Het duurt tot de laatste aflevering voor je het doorhebt, maar The Queen's Gambit wil net van dat soort clichés over obsessieve genieën af. Geen kijker die het níét gegoogeld heeft, maar we geven het toch maar mee: The Queen's Gambit is geen waargebeurd verhaal. Beth Harmon heeft nooit bestaan, geen enkele vrouw nam ooit deel aan het wereldkampioenschap schaken voor mannen. De enige vrouwelijke schakers die in de buurt van haar verwezenlijkingen komen, de Hongaarse zussen Susan en Judit Polgar, moesten nog aan hun carrière beginnen toen de roman waarop de reeks gebaseerd is in 1983 verscheen. Maar voor wie iets van schaken kent, is er wel een andere naam die tijdens The Queen's Gambit herhaaldelijk door je hoofd schiet: die van Bobby Fischer, min of meer de Ronnie O'Sullivan van de schaakwereld. De parallellen zijn te specifiek om toeval te zijn. Ook Fischer kwam op jonge leeftijd alleen te staan, toen zijn moeder op zijn zestiende het huis uit trok. Ook Fischer, een liefhebber van op maat gemaakte pakken, was een stijlicoon in een sport gedomineerd door debardeurs en tweed jasjes. Hij beleefde zijn hoogdagen van midden jaren vijftig tot de vroege jaren zeventig, ruwweg de periode die ook The Queen's Gambit bestrijkt. En blijkbaar was het ook zijn gewoonte om de Siciliaanse opening te counteren met de Sozin Attack, zoals Beth Harmon in de reeks doet. Of dat hebben wij ons toch laten vertellen. En de vergelijking gaat dieper. In 1972 nam Fischer het op tegen de ongenaakbaar gewaande grootmeester Boris Spasski in een kamp om de wereldtitel. Het was een match die de sport oversteeg. De tweestrijd tussen het individualistische wonderkind uit de VS en de eindbaas van de Sovjets, collectivistische schakers die elkaar tussen de matchen door bijstonden, stond in volle Koude Oorlog bol van de symboliek. Miljoenen Amerikanen die geen toren van een loper konden onderscheiden zaten aan de radio gekluisterd toen Fischer won en als eerste Amerikaan ooit wereldkampioen schaken werd. Fijn detail: volgens de overlevering ging Spasski na zijn nederlaag rechtstaan en applaudisseerde hij voor het uitzonderlijke spel van zijn tegenstander. Als dat laatste een belletje doet rinkelen, is het omdat The Queen's Gambit die scène exact overdoet. Ook Beth Harmon haalt het in de laatste aflevering van een ongenaakbare Sovjet, de fictieve Vasili Borgov, in een kamp die de sport overstijgt. Ook haar tegenstander vervoegt na zijn nederlaag het publiek in een staande ovatie. Zijn naam mag dan nooit vallen, de schaduw van Bobby Fischer hangt van de eerste tot de laatste scène over The Queen's Gambit. Wie de verdere levensloop van Bobby Fisher kent, weet dat dat ook een donkere schaduw is. Na zijn wereldtitel ging Fischer de weg van Paul Morphy op. (Een schaker met wie hij vaak vergeleken werd en naar wie hij ook opkeek, getuige hun gedeelde voorliefde voor de King's Gambit, een risicovolle openingstactiek.) Hij trok zich terug uit de schaaksport en haalde enkel nog het nieuws met zonderlinge escapades en uitspraken. Zo noemde hij 9/11 'prachtig nieuws', hoopte hij op de dag dat 'honderdduizenden Joodse leiders geëxecuteerd worden' en nam hij deel aan een onofficiële rematch met Spasski in het door een burgeroorlog geteisterde Joegoslavië, wat hem vanuit de VS een arrestatiebevel opleverde. Uiteindelijk overleed hij in 2008 in IJsland, waar hij de laatste jaren van zijn leven teruggetrokken en in ballingschap had doorgebracht, zonder ooit nog een match van betekenis te hebben gespeeld. Hij was 64. Zelf zou Bobby Fischer de parallellen met Beth Harmon ongetwijfeld hartsgrondig gehaat hebben. 'Vrouwen zouden niet toegelaten mogen worden in schaakclubs', liet hij ooit optekenen. 'Ze kunnen simpelweg niet schaken', zei hij, waarop hij eraan toevoegde dat ze 'zwak' waren en 'dom in vergelijking met mannen'. We vermoeden dat de makers van The Queen's Gambit die quotes kennen. Maar Beth Harmon is geen vrouwelijke versie van Bobby Fischer. Ze is een antwoord op waar hij voor staat: het cliché van het geromantiseerde genie. Bobby Fischer is zowat het toonbeeld van hoe we naar genieën kijken. Het zijn mensen die niet gewoon goed zijn in iets, maar er zo goed in zijn dat ze dingen doen die de gewone man niet meer helemaal kan vatten. (Cristiano Ronaldo is een fantastische voetballer, maar geen genie. Maradona is dat wel.) Het zijn individualisten die dankzij hun monomane obsessie tot buitengewone dingen in staat zijn en voor wie dan ook andere regels lijken te gelden. Niet zelden komt dat ook met een prijs: de balans tussen genialiteit en waanzin helt uiteindelijk altijd over naar het tweede. Genieën gaan doorgaans ten onder aan zichzelf. Precies tegen dat soort ideeën lijkt The Queen's Gambit te reageren. Het is een interessant perspectief om naar de reeks te kijken. Beth Harmon begint haar opmars, zoals ze vaak te horen krijgt, als een intuïtief wonderkind, dat niet schaakt volgens schoolse strategieën, maar dingen ziet die haar tegenstanders niet zien. Al snel botst ze daarmee op haar limieten. Wil ze ook uitzonderlijke schakers aankunnen, dan redt ze het niet met nachten naar het plafond te staren. Haar brein alleen volstaat niet. Ze begint haar tegenstanders te bestuderen, schoolt zichzelf bij met schaakboeken en krijgt de hulp van andere schakers - eerst Harry Beltik en later Benny Watts - om haar spel naar een hoger niveau te krijgen. Als ze het in de laatste aflevering van Borgov haalt, doet ze dat niet alleen: tijdens de pauze krijgt ze de hulp van een inderhaast samengesteld superteam van voormalige tegenstanders, die een rist strategieën hebben uitgedokterd. Iets wat ze nooit alleen had gekund. Háár overwinning is uiteindelijk ook hún overwinning. De Sovjets mogen dan verloren hebben, hun collectieve aanpak was wel de betere. The Queen's Gambit doorprikt zo de mythe dat genieën individualisten zijn. Een idee dat zijn oorsprong vindt in de verlichting en tijdens de Koude Oorlog opflakkerde als tegenideologie voor de collectivistische Sovjets, maar in werkelijkheid een misvatting is. Genialiteit bouwt altijd voort op wat er al was en is nooit te reduceren tot één persoon met een eurekamoment. De relativiteitstheorie kwam er niet omdat Einstein een epifanie had. De relativiteitstheorie kwam er dankzij het werk van verschillende collega's die elkaar naar een hoger niveau stuwden. Steve Jobs omringde zich doelbewust met creatievelingen die hem uitdaagden. De rivaliteit tussen Picasso en Matisse maakte hen beiden grotere kunstenaars. Zelfs Bobby Fischer had op een wereldkampioenschap een strategisch adviseur mee om tegenstanders te analyseren. The Queen's Gambit lijkt zich ook tegen een andere misvatting te verzetten: de mythe dat genialiteit hand in hand gaat met destructiviteit. Het is een link die keer op keer gemaakt wordt, niet zelden in biografieën van genieën. In Pawn Sacrifice, een biopic uit 2015 over Bobby Fischer, vragen twee van zijn vrienden zich af of Fischer psychiatrische hulp nodig heeft. Ze komen tot de conclusie van niet: er zit zo veel artistieke schoonheid in het spel van Fischer dat prutsen aan zijn brein crimineel zou zijn. Ook dat romantische idee is al herhaaldelijk weerlegd. Ja, genieën kampen bovengemiddeld vaak met mentale problemen, maar het zijn geen twee kanten van dezelfde medaille. Genieën zijn tot grote dingen in staat ondánks hun mentale problemen. Niet dankzij. Atleten of regisseurs worden niet beter omdat ze ongelukkig zijn. Mentale gezondheid is niet de prijs die je moet betalen voor grote schoonheid. En een verslaving is geen zelfmedicatie. Zeker in de laatste aflevering lijkt The Queen's Gambit daarnaartoe te werken. Met de hulp van een oude schoolvriendin gaat ze naar de plekken uit haar jeugd om de trauma's een plaats te geven - een soort metaforische sneltherapie, zo u wilt. Ze leert dat haar verslaving aan kalmeerpillen en alcohol haar geen betere speelster maakt, maar een slechtere. Ze ontdekt dat ze niet alleen op de wereld staat, maar dat een hele groep mensen rondom haar om haar geeft. Waarna ze Borgov verslaat. De allerlaatste scène van de reeks is op dat vlak veelzeggend. Op weg naar de luchthaven van Moskou stapt ze uit de auto en vervoegt ze een groep oude mannen die in open lucht aan het schaken zijn. Achteraf vroegen kijkers zich af wat de scène suggereerde. Of ze wilde zeggen dat Beth in de Sovjet-Unie bleef. Maar dat lijkt niet wat The Queen's Gambit wil zeggen. Beth schaakt voor haar plezier in die laatste scène - de Sovjetbenadering van schaken, niet de Amerikaanse. Het is niet meer iets wat haar dichter bij de waanzin brengt, zoals het dat voor Paul Morphy en Bobby Fischer was. Het is iets wat haar blij maakt. Beth Harmon is gelukkig aan het einde van The Queen's Gambit. Het zegt iets dat dat als een twist overkomt. Het is niet de eerste keer dat er geprobeerd wordt om die mythe te doorprikken. Al decennia zeggen academici, onderzoekers en psychologen dat er op een verkeerde manier naar genieën gekeken wordt. Al decennia tonen ze dat genialiteit altijd uit een vorm van samenwerking ontstaat, weinig met eurekamomenten te maken heeft en niet geholpen wordt door psychisch lijden. Al decennia benadrukken ze dat verhalen als die van Bobby Fischer of Paul Morphy vooral gemythologiseerd zijn. Niet zelden door de genieën zelf. Twee jaar geleden nog vertelde Hannah Gadsby iets soortgelijks in haar veelbesproken voorstelling Nanette, waarin ze het onder meer over Vincent van Gogh had. 'Als Van Gogh zijn medicatie had genomen, had hij nooit De zonnebloemen gemaakt, zo wil de overlevering het. Maar weet je waarom we De zonnebloemen hebben? Niet omdat Van Gogh leed, maar omdat hij een broer had die van hem hield en hem bijstond.' En toch blijven dat soort misvattingen leven bij het grote publiek. Ook al omdat Hollywood ze blijft herhalen. Elk Oscarseizoen duikt er weer een nieuwe biopic op over een genie-met-een-epifanie, of het nu over Amadeus, A Beautiful Mind, Whiplash of Pollock gaat. En elke keer worden dezelfde mythes herhaald. Het is ook niet moeilijk om te snappen waarom. In Whiplash zit bijvoorbeeld een cruciale scène waarin verteld wordt hoe de jonge Charlie Parker een cimbaal naar zijn kop gesmeten kreeg, zich vervolgens beschaamd opsloot en als een maniak ging oefenen, om een jaar later buiten te komen als het genie dat de jazz zou veranderen. De waarheid is dat Charlie Parker in dat jaar de muziek van Lester Young leerde kennen, elke avond met een lokale band jamde en zich pas echt begon te verdiepen in de jazzgeschiedenis. Alleen: de versie van Whiplash klinkt beter. Ze is interessant, de vraag waarom genialiteit zo tot de verbeelding blijft spreken. Waarom het zo behaaglijk is om een genie aan het werk te zien op het scherm. Waarom biografieën over genieën blijven verkopen. Maar die voorliefde heeft ook een andere kant. Doordat dat soort verhalen keer op keer op dezelfde manier verteld wordt en de levens van genieën altijd in dezelfde mal gepast worden, lijken ze ook mee te spelen in hoe een samenleving betekenis geeft aan begrippen als succes, falen of mentale gezondheid. Het romantische idee dat schoonheid lijden vereist, bijvoorbeeld, blijft in de creatieve sectoren een kwalijke invloed hebben. De jongste jaren lijkt de kritiek dan ook opnieuw aan te zwellen. Niet alleen vanuit de hoek van de mentalegezondheidszorg, maar ook vanuit feministisch oogpunt. De nasleep van MeToo maakte ook duidelijk dat hoe er naar de misdaden van Roman Polanski en Michael Jackson gekeken werd niet helemaal los te zien valt van het idee dat er voor genieën andere regels gelden. Hoe we naar genieën kijken doet er toe. Of liever: hoe we naar mannelijke genieën kijken. Want ook dat valt op: genialiteit is een eigenschap die alleen aan mannen toegeschreven wordt. Je hebt Marie Curie. Virginia Woolf. Frida Kahlo misschien. En dan stopt het. Dat The Queen's Gambit net een vrouwelijk genie opvoert, lijkt dan ook geen toeval. De serie is nooit nadrukkelijk feministisch of woke, zoals veel fictie vandaag wil zijn. Voor een reeks over een vrouw die zich staande moet houden in een sport en een tijdperk gedomineerd door mannen, worden er weinig grote statements gemaakt over seksisme of representatie. Maar de boodschap die The Queen's Gambit ondertussen brengt, is er daarom niet minder scherp om. The Queen's Gambit is een reeks die zich graag laat onderschatten. Laat u dan ook niet in slaap wiegen door de behaaglijke oubolligheid: The Queen's Gambit heeft wel degelijk iets te vertellen.