Van de drie woontorens is er al één volledig verdwenen en één zo goed als. De sloopkogel wacht nu tot de laatste bewoners er weggetrokken zijn om ook het derde blok met de grond gelijk te maken, zodat er plaats is voor acht veel lagere gebouwen met 360 nieuwe appartementen. Nog even en we kunnen beginnen te vergeten dat de Rabottorens ooit bestaan hebben. Dat we 570 appartementen hebben opgetrokken die er na nog geen 45 jaar al zo slecht aan toe waren dat er geen renoveren meer aan was. Dat het bijeenproppen van mensen die het sowieso al moeilijk hebben geen geweldig plan is. Weg met die nare herinnering. Morgen beter. Toch?
...

Van de drie woontorens is er al één volledig verdwenen en één zo goed als. De sloopkogel wacht nu tot de laatste bewoners er weggetrokken zijn om ook het derde blok met de grond gelijk te maken, zodat er plaats is voor acht veel lagere gebouwen met 360 nieuwe appartementen. Nog even en we kunnen beginnen te vergeten dat de Rabottorens ooit bestaan hebben. Dat we 570 appartementen hebben opgetrokken die er na nog geen 45 jaar al zo slecht aan toe waren dat er geen renoveren meer aan was. Dat het bijeenproppen van mensen die het sowieso al moeilijk hebben geen geweldig plan is. Weg met die nare herinnering. Morgen beter. Toch? Of hebben de blokken net iets te veel ellende gezien om zomaar uit het collectieve geheugen te wissen? Regisseur Christina Vandekerckhove (39) trok er een bijzondere film uit op, waarin de muren spreken. Voor het eerst, voor het laatst. En haar Rabot maakt indruk: op het recentste Film Fest Gent koos het publiek níét voor deze of gene fictiefilm, maar voor haar gestileerde bioscoopdocumentaire. 'Eigenlijk zat het van bij het begin - ze zijn in 1972 gebouwd - al niet goed met die torens', legt Vandekerckhove uit. 'Ze zijn opgetrokken in drassig gebied, met minderwaardig beton en asbest, waarbij er ook gesjoemeld is: een geïnterviewde getuigde dat hij van de aannemer alsmaar minder Compaktuna, een dichtingsmiddel, in het beton mocht gieten. De achterkant van een van de blokken was op het noorden gericht, waardoor het er altijd koud was. Sowieso moest je gigantisch stoken: de wind blaast dwars door het enkel glas. Het is gewoon een mislukt project. Renoveren was even duur als afbreken en iets nieuws optrekken.' Maar aanvankelijk oogde het plaatje toch fraaier dan in recenter jaren. 'Ik heb hem niet meegemaakt maar er zou een tijd geweest zijn dat de deuren dicht konden, dat de liften proper waren en dat er nog met elkaar gesproken werd. Bij elkaar op de koffie gaan of kletsen op de trap was volgens de oudste bewoners de normaalste zaak. Allemaal vertelden ze hetzelfde, dus ik geloof wel dat het er vroeger effectief beter ging.' Zelfs in de laatste jaren was het niet al kommer en kwel. 'Optimist Albert, een van de bewoners die je in Rabot ziet, heeft er altijd graag gewoond. Velen zijn dankbaar dat ze er voor weinig geld mochten wonen. Er zijn winkels in de omgeving, de tram stopt er en als je de straat oversteekt, sta je in het centrum van Gent. En bovenal: het zicht op de stad was er geweldig. Bijna alle bewoners spreken over 'mijn schoon zicht'. Als ze straks één iets hard zullen missen, dan is het dat wel.' In de jaren tachtig begon het volgens Vandekerckhove achteruit te gaan. 'Je kon de teloorgang wel zien aankomen, maar ik vind het moeilijk om precies te duiden wie waar in de fout is gegaan. Ik wijs WoninGent, de sociale huisvestingsmaatschappij, bijvoorbeeld niet met de vinger. Ik heb ze al genoeg op stang gejaagd met de film en zeker hun mensen op het terrein doen hun uiterste best. Ze luisteren naar de bewoners, proberen te bemiddelen en problemen op te lossen, maar dat is een druppel op een hete plaat. Tenminste, zo voel ik het aan. Ik ben geen sociologe, straathoekwerkster of antropologe. Ik ben niet de ervaringsdeskundige die alles zoveel beter zou aanpakken als je kon herbeginnen.' Verleden maand ontdekte de regisseuse dat het voorportaal van het laatste woonblok met een spuitbus beklad is. 'In rode bloederige letters stond er: "Dit is de hel, red ons." Ik denk dat ik weet wie dat gedaan heeft maar dat doet er niet toe. Het is een beeld van Rabot. Hoeveel duidelijker kan een hulpkreet zijn?' Haar film opent met de quote 'Als je te veel vogels in dezelfde volière steekt, pikken ze elkaar dood'. 'Het is niet meer van deze tijd om mensen geen open ruimte te gunnen', legt Vandekerckhove uit, 'maar het is pas echt fout gelopen door de constante instroom van anderstaligen, ex-gedetineerden, daklozen, mensen met psychiatrische of zware verslavingsproblemen, mensen die begeleiding nodig hebben - dénk ik, ik herhaal: een pasklare oplossing heb ik ook niet. De blokken fungeerden een beetje als vergeetput. Er werd volk van alle slag bij elkaar gestopt en je moest maar zien samen te leven. En ze waren met véél: het was een dorp in de hoogte.' 'Vroeger kwamen we bij elkaar over de vloer. Daarna is iedereen zijn deur beginnen dicht te houden. Als we allemaal een beetje meer met elkaar in contact waren gekomen, het was nooit zo ver gekomen', zegt Adrienne in Rabot. Vandekerckhove vermoedt dat haar getuige een punt heeft: 'Niemand keek nog naar de ander om. Velen gingen te zeer gebukt onder hun eigen problemen en wilden of konden zich niet bezighouden met die van een ander. Dat is ontploft. Niemand ging nog aanbellen om te zeggen dat je geen vuilnis door het raam kiepert. Niemand ging nog aanbellen om te zeggen dat je je gevoeg niet in de lift doet. Die woonblokken misten controleorganen en sociale controle." Rabot bevat schrijnende voorbeelden van onverschilligheid: een dronkaard valt op de trap plat op zijn gezicht en niemand die, al was het maar even, met de ogen knippert. De gesprekken gaan gewoon door. De zoveelste zelfdoding is geen groter onderwerp dan het weer. 'Wat er hier gebeurt, interesseert mij niet', stelt een bewoner in de film. 'Ik heb met niemand medelijden. Er heeft ook nooit iemand medelijden met mij gehad.' 'We hadden veel zulke scènes', knikt Vandekerckhove. 'Maar ik oordeel daar niet over. Kun je je blijven opwinden als je constant ziet dat er verfpotten naar beneden gegooid worden, dat het vuil in de gangen ligt, dat er weer iemand in de lift gepist heeft, als je weer iemand treft die te dronken is om op zijn benen te staan? Als overleven een strijd is, als je in schuldbemiddeling zit en zelf moet leven van dertig euro per week, dan heb je geen zin meer om je met een ander bezig te houden. Ik zou daar ook onverschillig van worden.' En dat gaat ver in Rabot. Een Filipijn vertelt dat hij niet reageerde op de noodkreten van de buurvrouw. Luttele tellen later stortte ze te pletter. 'Moord. Ik was gechoqueerd toen die man voor de camera vertelde dat hij niet had willen tussenkomen. Hij meende dat echt. Moei je met niemand, dat idee beheerste het blok. Ook racisme speelt daarin mee, en dat was nog véél erger dan de film toont. Mensen van vreemde afkomst voelen dat enorm en proberen zich zo onzichtbaar mogelijk te maken. Die Filipijn zou in het behang opgaan als hij kon. Zijn schoondochter had hem op het hart gedrukt zich zeker nooit ergens mee te bemoeien, want dat zou zijn miserie alleen nog vergroten.' Een alleenstaande vader toonde voor de camera het mes dat hij altijd bij zich droeg om zichzelf en zijn dochter te beschermen. 'Hij voelde zich totaal niet veilig. Ik heb dat van nog mensen gehoord.' Vandekerckhove is zelf tweemaal bedreigd. 'WoninGent had me gewaarschuwd dat ik er na zeven uur 's avonds niet te veel moest rondlopen. Op een gegeven moment waren er al veel mensen weg uit blok 2. Op de lege appartementen kwamen veel krakers, druggebruikers en -dealers af. Een dealer zei dat hij mijn ogen zou uitsteken en me zou moeten verkrachten als hij mij nog eens tegenkwam.' Rabot kruipt onder je vel, dat van de kijker, maar zeker ook dat van de regisseuse, die al in 2014 met haar research in de woonblokken begon. 'Soms wilde ik er een hele dag blijven maar was ik tegen de middag alweer thuis. Op de duur ging ik bewust maar voor een uur of twee, van appartement naar appartement. Ik raakte helemaal op van wat ik allemaal hoorde, wat mensen meegemaakt hadden, de grote eenzaamheid. Er zijn daar schrijnende dingen gebeurd: zelfdoding, brandstichting, drugszaken, een acht maanden zwangere vrouw is er uit het raam gegooid. De meeste van die verhalen zitten niet in mijn film, de zelfdodingen wel. Dat was het eerste dat ik er te horen kreeg: "Ze komen hier springen." Iederéén kon de blokken binnen en de deuren naar het dak stonden open. Ik zag er regelmatig studenten een jointje roken. Het dak trok ook springers aan, tien in enkele jaren tijd. Ik vind het heel frappant dat dat net daar, in die blokken, gebeurt. Jean, nog een bewoner, sprak over een terminus. Mijn verhaal gaat over de terminus. De blokken waren voor velen een eindhalte - ze konden nergens anders nog terecht - en ze gaan nu ook zelf tegen de vlakte.' Initieel was Vandekerckhove door de Kopergietery benaderd om een film te maken over de wijk Rabot. 'Maar ik liep er letterlijk en figuurlijk verloren. Ik had een strenger basisidee nodig. Toen zag ik dat de eerste van de drie woontorens ontmanteld was. Het gebouw stond nog recht maar de gevelpanelen waren weg, waardoor je de betonnen structuur zag. Dat bijna abstracte beeld van honderden lege vakjes inspireerde me meteen, het idee om die in te vullen en zo portretten te maken, tableaux vivants over liefde, eenzaamheid en armoede met die ten dode opgeschreven blokken als raamvertelling. Ik wist meteen waar ik visueel naartoe moest. De cameravoering moest even stram zijn als die betonnen structuur. Een bewegende camera of close-ups zouden voor nog meer emotionaliteit zorgen en dan zou de film wat vies kunnen worden. Niemand draagt trouwens het hele verhaal. Sommigen bewoners komen meer dan eens terug, anderen zie je maar een minuut. Soms weet je zelfs hun naam niet.' Wat bepaald niet voor Vandekerckhove zelf geldt. 'Het zou respectloos zijn om die mensen zonder boe of ba te filmen. Het geheim van de film is net dat ik iedereen heel goed kende. Als we dan uiteindelijk met de camera binnenkwamen, kon ik meteen de juiste toon aanslaan en de juiste vragen stellen. Je wist nooit wat je achter de deur van een appartement zou aantreffen. Je komt Vlaamse paleisjes tegen, overvolle appartementen maar ook volledig lege. Ik heb daarbij trouwens nooit ingezoomd op de vuiligheid om het schrijnende van de situatie neer te zetten.' Een documentaire over sociale woonblokken vond Vandekerckhove al van bij het begin 'een belegen idee. Ik ben ook geen sociaal-artistieke maker, ik heb geen reportage of journalistiek verslag gemaakt maar een film. Een auteursfilm zelfs. Mijn idee over de blokken zit in de film verweven. Ik vertrek vanuit mezelf. Dat kan heel egocentrisch klinken maar je moet een kat een kat noemen. Ik kwam daar mijn film maken en daar gebruik ik in zeker opzicht die mensen voor, maar dat ontslaat je niet van enige menselijkheid. Nog nooit in mijn leven heb ik zoveel eenzaamheid zo dicht bij elkaar gezien. Ze verplettert. Ik zou het heel raar vinden om de film uit te brengen en mij dan er nooit meer te vertonen. Ik heb hun ziel gepakt. Dan verdwijn je niet.' Belijk hier de trailer.