Vanaf 14/2 in het betaalpakket Play More bij Telenet.
...

James Jagger (30) heeft de volle lippen van zijn vader geërfd, en volgens de boekskes is hij een notoire feestneus, maar wanneer hij binnenstuift op de vijftiende verdieping van de HBO-kantoren in New York ontbreekt elk spoor van rocksterattitude. De vierde telg van Mick Jagger draagt een eenvoudige jeans en heeft meer de fijne beenstructuur van zijn moeder, voormalig topmodel Jerry Hall. Hij wil vooral praten over zijn rol in Vinyl, de nihilistische punkrocker Kip Stevens van de fictieve band The Nasty Bits, maar rock noblesse oblige. In een interview heb je gezegd dat je je achternaam meer een vloek dan een zegen vindt. JAMES JAGGER: Waar heb je dat gelezen? The Sunday Telegraph? De Britse pers doet een beetje moeilijk. Zeker als je een telg van een beroemde familie bent, zijn ze sneller geneigd om je neer te sabelen. Britse journalisten verkiezen een working class hero boven iemand uit een succesvolle familie. Het past niet in hun plaatje. Heeft je vader je een handje kunnen helpen met de voorbereidingen op Vinyl? JAGGER: Jawel, maar dan toch vooral om te praten over de tijdsgeest van de jaren zeventig. Ik heb nog nooit met hem aan de piano gezeten of samen muziek gespeeld. Ook niet toen ik klein was. Iedereen is vertrouwd met de band van je vader, maar hoe zit het met jouw punkgroepje, Turbogeist? JAGGER: We hebben even een pauze ingelast. De groep bleek nogal moeilijk te combineren met de opnames van Vinyl. Misschien doen we in maart nog een soort reünie. Nu wil ik vooral mijn acteermessen slijpen. Je hebt ook enkele songs geschreven voor de pilot van Vinyl. JAGGER: Ik heb veel muziek ingediend voor het eerste seizoen. Ik wist niet goed wat ze verlangden, of waar de songs voor zouden dienen. Dus ben ik gewoon wat beginnen te schrijven, op maat van die tijd. Muziek die in de tijd van de punkrock gangbaar was. Zo ben ik op allerlei vreemde bands uit New York en Detroit gestoten. Dáár gebeurden de interessante dingen. Hoe authentiek wordt die periode in Vinyl neergezet, als je vergelijkt met de ervaringen van je vader? JAGGER: Dat vraag je aan de verkeerde persoon. Ik was niet in New York tijdens de seventies. Mijn eerste reis naar hier was in 2005. Bovendien heb ik de pilot nog niet gezien. Wat ik wel kan zeggen, is dat Martin Scorsese een geweldig oog heeft voor historisch detail. Hij zou zich nergens aan verbinden zonder dat de authenticiteit voor de volle honderd procent gegarandeerd is. Dat maakt zijn films ook zo ongelooflijk uniek. Wat moet je hebben om een ideale rockster te zijn? JAGGER: Hm, moeilijk te zeggen. Een zekere zwier? Iets esotherisch? Mijn personage in Vinyl, Kip, is een antirockster. Iemand die zich verzet tegen de glambeweging, waarbij het meer om de podiumkunstjes en belichting draaide dan om de muziek. Dat werd hem te theatraal. Maar volgens mij zijn er twee mogelijkheden als rockster: je kunt een nederige muzikant zijn, of het schreeuwerige Alice Cooper-type. Ik geloof dat beiden slecht noch goed zijn. Al denk ik wel dat goede muziek schrijven belangrijker is dan je een flamboyant podiumimago aan te meten. Je vader pitcht Vinyl als een gangsterserie die zich afspeelt in de New Yorkse muziekscene. Akkoord? JAGGER: Ik denk dat de gangsterthematiek in elk project van Martin Scorsese doorschemert. In Vinyl hoort het nu eenmaal bij de tijd, dus het was logisch om die kant ervan te belichten. De muziekindustrie was nog niet zo bedrijfsmatig opgezet als nu. En de maffia was erbij betrokken, net als bij elke sector in Amerika waar geld te rapen valt. Payola (platen pluggen door voor airplay te betalen, nvdr.) was een gangbare praktijk. Iedereen zat in iedereens zakken. Het was een moordende wereld, ook al is het een wereld waarin alles rooskleurig en puur lijkt. Die venijnige kant kwam tot nu toe nog niet zo vaak aan bod in films of series over de muziekindustrie, wat het alleen nog interessanter maakt. Heb je je voor de rol van Kip op bestaande muzikanten gebaseerd? JAGGER: Jack Ruby, een band genoemd naar de moordenaar van Lee Harvey Oswald, wat op zich al provocerend genoeg is. (lacht) Ze zijn nooit echt doorgebroken. Oké, hun muziek klonk ook afschuwelijk, maar eigenlijk waren ze al punk nog voor die term bestond. Is Scorsese echt zo'n plezier om mee te werken als iedereen beweert? JAGGER: Hij is de beste coach met wie ik ooit gewerkt heb. Net als vele legendes heeft hij iets intimiderends, waardoor hij automatisch een godachtige status krijgt. Maar eigenlijk valt dat enorm mee. Een van zijn beste eigenschappen is dat hij zelfs de meest nerveuze bambi op zijn gemak kan doen voelen. Hij haalt het beste in zijn acteurs naar boven, maar ook in zijn crew. Hij zorgt dat de nieuwe lichtman zich de beste lichtman voelt die hij ooit heeft gezien. De meeste dingen die ik voordien heb gedaan, waren lowbudget. Dus het was wel eens interessant om te werken met iemand die de controle bewaart en zijn meesterschap kan etaleren. Als hij niet zeker is over een bepaalde cameraopstelling, durft hij weleens de grote speeltjes boven te halen. Dan roept hij: 'Let's get the big crane.' Ook al heeft het al een uur geduurd om de vorige camera op te stellen. Als Marty de big crane vraagt, dan krijgt hij de big crane. Heb je al gehoord van de The Get Down, een geplande Netflixserie over de geboorte van hiphop in de jaren zeventig? Geregisseerd door Baz Luhrmann, de regisseur van Moulin Rouge en The Great Gatsby. JAGGER: Nee. Verdorie! Heeft Baz Luhrmann ons weer nageaapt? Grappig, men durft pas groen licht aan iets te geven wanneer men ziet dat een concurrent iets gelijkaardigs doet. Independence Day en Armageddon kwamen destijds ook kort na elkaar uit. Of we zijn nu allemaal in de ban van de seventies. Wat is jouw favoriete beeld van die tijd? JAGGER: Ik denk altijd: voor een beetje fun moest je toen in de buurt van de homo's en de trannies zijn. Of van Andy Warhol. (lacht) Misschien is dat wel mijn snapshot van die periode: een disco, een stel trannies, en Andy Warhol met zijn polaroids.