Er is een subgenre ontstaan in de columnschrijverij, en dat is de column over Brussel. Mensen gaan er weg, mensen komen er aan, mensen vinden het er allemaal goed, mensen vinden dat er te veel criminaliteit is, mensen vinden dat het er te vuil is, mensen vinden dat het feit dat het er te vuil is net zo typisch Brussel is ...
...

Er is een subgenre ontstaan in de columnschrijverij, en dat is de column over Brussel. Mensen gaan er weg, mensen komen er aan, mensen vinden het er allemaal goed, mensen vinden dat er te veel criminaliteit is, mensen vinden dat het er te vuil is, mensen vinden dat het feit dat het er te vuil is net zo typisch Brussel is ... Ik heb nooit in Brussel gewoond. Ik studeerde er enkele jaren aan Sint-Lukas, met een k, waarvan ik me vooral de hoeren van het Noord herinner, alsook de panini mozzarella-tomaat en de mierzoete Tropicana's die ik met mijn klasgenote Leen degusteerde bij Best Sandwiches, op de hoek van de Paleizenstraat en de Rogierlaan. Toen ik een kind was, nam mijn pa mij en mijn broer wel eens mee naar de overdekte markt aan het abattoir in Kuregem. Ik vond de drukte rustgevend en de low-tech elektronica die er aangeboden werd, zoals bandopnemers of microfoons met een minijack, overtuigende koopwaar. Ook in Matonge gingen we soms langs, kwestie van zelf eens de minderheid te zijn. In 1994 kocht ik mijn eerste maar helaas niet laatste Venom-baggies in de Agora in het toeristische hart van de stad. Dat hadden ze nog niet gezien in Betekom, waar ik toen naar school ging. Brussel ook niet, denk ik. Voor veel Vlamingen blijft Brussel een plek die mentaal verder weg ligt dan Moskou of Djibouti. Vandaag ken ik net niet genoeg winkels aan de Dansaertstraat meer bij naam om te kunnen doen alsof ik mee ben. Volgens mij is de Dansaert trouwens ook al te lang hip om nog hip te zijn. Ondanks het feit dat Marc Didden er woont. Overigens bestaat er geen onhipper woord dan 'hip', het bijvoeglijk naamwoord van de mensen die bijvoeglijk te laat kwamen. Dus goed, in 1967 verscheen dan Joan Didions bekende essay Goodbye to All That, over de redenen waarom ze New York toen verliet. Het was waarschijnlijk niet het allereerste stuk in het genre, maar wel een soort mijlpaal door de kwaliteit die het bezat. Vandaag vind je natuurlijk duizenden stukken van mensen die zo oninteressant en in essentie leeg en hopeloos op zoek zijn dat ze een verhuizing naar of uit Brussel moeten verheffen tot een artikel, een blog, een thread of een story. En het bulkt altijd van de hevige gevoelens. Ik denk dat dit het probleem is met veel van de Brussel-stukken: enkel mensen die zich erg betrokken voelen, schrijven erover. Daarom zijn de meeste stukken veel te emotioneel in de ene of de andere richting. Het ene stuk vraagt telkens weer om reacties van de overkant, en zo blijft het eindeloos doorgaan. Door de wirwar van besturen en bijbehorende besluiten heersen chaos en zwak beleid in de hoofdstad. Ik nam onlangs de metro van Rogier naar Ribaucourt. Je wilt niet weten wat ik onderweg zag en rook. Laat ik niemand ooit nog horen zeggen dat dat 'de stad net maakt wat ze is'. Bullshit. Dit gezegd zijnde, lijkt mij dat hopeloos manke bestuur het enige echte probleem van een anders erg diverse, prikkelende plek. Ik hoop innig dat de zaken ooit fundamenteel worden aangepakt, zodat we eindelijk columns kunnen beginnen te schrijven over Betekom.