'Dit is geen escapisme, het is superrealisme, zo korrelig en gedetailleerd en verdomd overtuigend dat mijn eigen 'werkelijkheid' erbij verbleekt.'
...

'Dit is geen escapisme, het is superrealisme, zo korrelig en gedetailleerd en verdomd overtuigend dat mijn eigen 'werkelijkheid' erbij verbleekt.' - uit een brief aan filmproducent Jeff Walker Oktober 1981. De door paranoia en zenuwinzinkingen geplaagde auteur Philip K. Dick is in de wolken. In een tv-programma heeft hij zonet afgewerkte fragmenten gezien van Blade Runner, de film van Ridley Scott die losjes is gebaseerd op zijn roman Do Androids Dream of Electric Sheep? (1968) Op zijn oude schrijfmachine schrijft hij een brief aan de producent van de film, waarin hij zijn blijdschap uitdrukt. Het jaar daarop, in maart, wordt een hartaanval Dick fataal. De release van Blade Runner zal hij niet meemaken, evenmin als de wereldwijde erkenning van zijn talent en uitgebreide oeuvre. In de decennia die volgen, zal Hollywood vaak uit Dicks werk putten, al is het maar zeer de vraag of de schrijver even enthousiast geweest zou zijn over de afgewerkte producten. Scenaristen en regisseurs houden van zijn verhalen vaak niet meer dan de premissen over. In 1990 turnt Paul Verhoeven We Can Remember It for You Wholesale (1966) - over geheugenmanipulatie - om tot Total Recall, een hondsbrutaal, met oneliners en slechte manieren volgestouwd actiespektakel. In 2002 doet Steven Spielberg, zij het met iets meer finesse, hetzelfde met Minority Report. Tom Cruise vertolkt - noblesse oblige - de ietwat slome, pijprokende vijftiger uit Dicks kortverhaal uit 1956 als een hyperviriele superflik. Uitstekende films zijn het wel, iets wat niet gezegd kan worden van Impostor (2002), Radio Free Albemuth (2010), Screamers (1995), Next (2007), The Adjustment Bureau (2011) en vooral Paycheck (2003), waarmee een zichtbaar geconstipeerde Ben Affleck en Hongkong-broddelaar John Woo Philip zich in zijn graf doen omdraaien. Alleen Richard Linklater slaagt erin een goede film af te leveren en tegelijk trouw te blijven aan Dicks origineel. Zijn adaptatie van A Scanner Darkly (2006) is bovendien een boeiend experiment. De beelden zijn bewerkt met de rotoscooptechniek, waardoor de film eruitziet als een animatiefilm. Een haast hallucinogeen effect dat perfect aansluit bij de opzet van de roman, waarin Dick afrekent met zijn jarenlange verslaving aan speed en ander geestverruimend spul. De afgelopen jaren vindt Dick ook zijn weg naar het kleine scherm. De tv-bewerking van zijn magnum opus The Man in the High Castle, dat zich afspeelt in een wereld waarin de asmogendheden WO II hebben gewonnen en de nazi's en de Japanners de VS onder elkaar hebben verdeeld, is vrij getrouw en vooral verslavend. En vandaag is er ook Philip K. Dick's Electric Dreams, een fraaie en soms ronduit ontroerende anthologieserie waarvan elke episode is gebaseerd op een kortverhaal van de man, en die wordt bevolkt door fijne acteurs als Timothy Spall, Anna Paquin, Bryan Cranston, Julia Davis en Steve Buscemi. Een handige commerciële zet in een tijd waarin dystopieën als The Handmaid's Tale en Black Mirror een steeds breder publiek aanspreken. Er is een reden waarom film- en tv-makers vandaag honderdduizenden dollars veil hebben voor de rechten op verhalen die Philip K. Dick in de jaren vijftig voor een luizige twintig dollar aan pulpmagazines verkocht, of die tijdens zijn leven zelfs nooit gepubliceerd zijn. Er zijn niet alleen de man en zijn mythe - die van de paranoïde, drugverslaafde mysticus -, er zijn ook zijn indrukwekkende literaire nalatenschap en, vooral, zijn geliefkoosde thematiek: die van de relativiteit van wat de mens als realiteit beschouwt. Zijn verhalen over alternatieve werkelijkheden, tijd- en ruimtereizen, androïden, geheugenexperimenten, autoritaire regimes en postnucleaire werelden dagen de lezer intellectueel uit. Ze blijven nazinderen, ook wanneer je het boek hebt dichtgeklapt. Ze borrelen verder onder de oppervlakte en verplichten je om na te denken over die ene hamvraag: wat is echt en wat niet? Kan ik wat ik elke dag om me heen zie wel vertrouwen? Een belangrijke vraag in een tijd waarin we dagelijks worden bestookt met pseudorealiteiten in de vorm van bedrieglijke politieke retoriek, bedrieglijke media en bedrieglijke multinationals die ons proberen te lijmen met bedrieglijke reclameboodschappen. Het is een van de redenen waarom veel hardcore sciencefictionfans nog steeds de neus ophalen voor het werk van Philip K. Dick. Hij is niet wat ze graag lezen. Te filosofisch, te weinig wetenschappelijk. Dick imponeert niet met zijn kennis van chemische processen, fysica of vooruitstrevende technologieën, hij vertelt wat-alsverhalen die meer op filosofie, psychologie en fiction steunen dan op science, en niet vergezocht of ingewikkeld genoeg zijn om ongeloofwaardig te worden. Een loterij die aanduidt wie de machtigste persoon op aarde wordt (Solar Lottery, 1955)? Er zijn de afgelopen decennia al vreemdere dingen gebeurd in de internationale politiek. Een man die het gevoel heeft dat zijn leven - à la The Truman Show, dat overduidelijk de mosterd bij Dick haalde - volgens een uitgekiend scenario verloopt en van bovenaf wordt geregisseerd (Time Out of Joint, 1959): wie staat nooit met die gedachte op? Een wereld die door het broeikaseffect vrijwel onleefbaar is geworden (The Three Stigmata of Palmer Eldritch, 1965): dat doemscenario achtten mensen zelfs in de sixties al plausibel. Ruim vijfendertig jaar na zijn dood blijft Philip K. Dick tot nadenken stemmen. En voor wie niet graag leest, nu ook op het kleine en grote scherm. Dick was een vreemde vogel, en niemand die dat beter wist dan hijzelf. Als tiener leed hij al aan angstaanvallen en agorafobie, en dat werd er niet beter op toen hij begon te experimenteren met speed en lsd. De veer brak definitief in 1974. Kort nadat hij twee wijsheidstanden had laten verwijderen, verklaarde hij dat een goedaardige godheid, in de vorm van een meisje dat medicijnen aan huis kwam leveren, via een felroze lichtstraal massa's informatie in zijn brein had geüpload. Volgens het wezen, dat hij Zebra of VALIS (Vast Active Living Intelligence System) noemde, hadden de Romeinen omstreeks 50 na Christus de tijd bevroren en was alles wat daarna was gebeurd een illusie. Dick, die van het scheppen van alternatieve realiteiten en werelden zijn levenswerk had gemaakt, voelde hoe de werkelijkheid hem zelf ontglipte. Hij hoorde stemmen in zijn hoofd, beeldde zich in dat hij zich in het oude Rome bevond, voelde daar de aanwezigheid van Jezus en raakte er zoetjesaan van overtuigd dat hij een profeet was die de boodschap van VALIS moest verspreiden. Toen de visioenen, die hij zelf omschreef als '2-3-74' (naar de maanden waarin de epifanie plaatsgreep) plots ophielden, raakte hij zodanig met zichzelf in de knoop dat hij zelfmoord probeerde te plegen. Nadat dat was mislukt, trachtte hij de inzichten van Zebra te vatten door ze, tussen 1976 en 1981, wereldkundig te maken in vier romans (Radio Free Albemuth, VALIS, The Divine Invasion en The Transmigration of Timothy Archer, dat zijn laatste boek zou worden). Daarnaast hield hij op haast maniakale wijze een dagboek bij over zijn visioenen. Een selectie van de bijna achtduizend pagina's - hij krabbelde soms tot honderdvijftig bladzijden per nacht - werd in 2011 gebundeld in The Exegesis of Philip K. Dick, volgens rabiate fans een filosofisch meesterwerk van een uitzonderlijk genie, volgens de meeste anderen de schrijfsels van een heel paranoïde geest, die in het roze licht de hand van de KGB, de CIA, aliens en een versie van hemzelf uit een andere dimensie herkende. Dick heeft in interviews nooit uitgeweid over die gebeurtenissen, al legde hij wel uit waarom hij zo in de ban raakte van zijn 'goddelijke waanzin'. Hij vertelde dat hij zich vóór de visioenen altijd een vreemde had gevoeld op deze wereld, iemand die hier alleen was om de realiteit zoals gewone mensen die kennen te observeren. In 1974 viel dat gevoel even weg: 'Plots had ik een plaats in het geheel.' Een vreemde vogel, inderdaad.