'Ik zeg toch genoeg dat ik u graag zie, hé?', vraagt een jonge vrouw na afloop van Levend en vers aan haar vriend. De jongeman is hoegenaamd niet verrast door de vraag. Zijn vriendin volgt simpelweg de raad op van Wouter Deprez, die in de tweeënhalf uur daarvoor hun emoties dirigeerde.

Na het ingetogen Bloemen, bijen en borstbollen, over de borstkanker van zijn vrouw Marjan, doet het ontzettend deugd om Deprez weer ongehinderd platte lollen te zien rondstrooien. Het mooie is dat hij die grappen zorgvuldig inbedt in een meeslepend familieverhaal met dit keer een centrale rol voor zijn moeder, na eerdere voorstellingen over zijn vader (Eelt) en zijn oudste zoon (Je zal alles worden).

Het podium is kaal, op een taboeretje van witte formica en Deprez' gitaar na, maar baadt haast de hele tijd in een warm, oranje licht. Het licht van een romantische zonsondergang die je aan het mijmeren zet. Of aan het vrijen.

Deprez doet beide in Levend en vers. Hij mijmert over vroeger, hij vrijt met het nu. Daarvoor neemt hij uitgebreid de tijd. Hij start de voorstelling gemoedelijk en met een lijf dat bevrijd kronkelt van vertelgenot en levenslust nu zijn Marjan weer aan de beterhand is. Hij vuurt het ene glimlachgrapje na het andere de zaal in.

Deprez bouwt de hele voorstelling rond de gebeurtenissen van één dag. Een dag waarop hij zijn moeder belt nadat hij, samen met zijn twee zoontjes, ontdekt dat 'mama nu echt aan de beterhand moet zijn want ze kan weer smijten'.

Hij bouwt de hele voorstelling rond de gebeurtenissen van één dag. Een dag waarop hij zijn moeder belt nadat hij, samen met zijn twee zoontjes, ontdekt dat 'mama nu echt aan de beterhand is want ze kan weer smijten'. Dat heeft gevolgen voor het avondeten, dus wordt er besloten naar de thuisbasis van Deprez in het West-Vlaamse Geluwe te verkassen.

Vertellen over die dag, de autorit naar West-Vlaanderen en de terugrit naar huis betekent voor Deprez uitwijden over restaurantbezoekjes, opvoeding, naar het 'grote toilet' gaan, relatieperikelen, reisavonturen, ouder worden, het versterken van het sociale weefsel in de wijk... Klinkt u dat saai in de oren? Niet in de dikke, vruchtbare en soms wat vettige laag humor waarin Deprez zijn thema's laat marineren.

Zo vertelt Deprez hoe moeilijk het is om vegetariër te worden voor een West-Vlaming, afkomstig uit een dorp waar meer varkens wonen dan mensen. Zijn guilty pleasure is een boterham met schelletjes, boterhamworst en tevens een knipoog naar zijn allereerste voorstelling Schellekens. Dat pakje verstopt hij in zijn koelkast onder een plastic selder. Zo kan de selder niet bederven, want voor Deprez is een koelkast het equivalent van een vergeetput. Hoe? Waarom? Wat? Deprez legt het in Levend en vers niet alleen haarfijn uit, alle delen van zijn verhaal haken ook perfect in elkaar.

Aan het razende tempo waarmee vrachtwagens varkens naar het slachthuis voeren, zo volgen de geslaagde moppen elkaar op.

Aan het razende tempo waarmee vrachtwagens varkens naar het slachthuis voeren (door Deprez aan zijn kroost gepresenteerd als: 'Kijk, de zwijntjesscouts gaat op excursie!'), zo volgen de geslaagde moppen elkaar op. Drie hilarische songs - waaronder een lied over grijzer wordend schaamhaar en een scat waarin hij dames uit het publiek probeert op te vrijen - vormen welgekomen rustpunten in de woordenvloed.

Deprez voert de glimlachmoppen op tot lachsalvomoppen over, onder meer, een ezeltocht in Spanje waar Deprez op een verrassende manier kennismaakt met de intieme delen van een ezelin... Dat hij af en toe een mopje iets te hard uitmelkt, door na de clue er nóg een kleine grap bovenop te doen, nemen we dan wel voor lief.

Intussen zorgt Deprez er haast ongemerkt voor dat het taboeretje steeds meer centraal op de scène komt te staan. Het publiek leidt hij intussen almaar verder de weemoed in. Om tot slot, vanop zijn krukje, de schaterlach te kraken met een dikke traan. Wat laat Levend en vers zich graag zien.