'Waarom willen recensenten toch altijd premières zien? Dat zijn vaak de slechtste voorstellingen van de ganse speelreeks!' kreeg ik enkele maanden geleden van een acteur te horen. Hij had een punt. Er zijn tal van redenen te noemen waarom het wél zinvol is om als recensent de eerste opvoering van een nieuw stuk bij te wonen. Maar er zijn dus ook grondige tegenargumenten.
...

'Waarom willen recensenten toch altijd premières zien? Dat zijn vaak de slechtste voorstellingen van de ganse speelreeks!' kreeg ik enkele maanden geleden van een acteur te horen. Hij had een punt. Er zijn tal van redenen te noemen waarom het wél zinvol is om als recensent de eerste opvoering van een nieuw stuk bij te wonen. Maar er zijn dus ook grondige tegenargumenten. Toen Het kleine meisje van Meneer Linh (Toneelhuis) in première ging, dacht ik terug aan de opmerking van die acteur. De première was enkele dagen uitgesteld omdat regisseur Guy Cassiers de voorstelling, omwille van de ziekte van Gène Bervoets, moest ombouwen van een dialoog tot een monoloog. En omdat de speelreeks in oktober maar summier was en de tournee pas in het voorjaar van 2018 start, woonde ik de voorstelling bij aan het begin van die tournee. Uiteindelijk is de voorstelling een intimistisch kleinood geworden waarin je voelt dat Cassiers naar oplossingen, ook technische moest zoeken om het wegvallen van Bervoets op te vangen. Maar het is evenzeer voelbaar hoe acteur Koen De Sutter daardoor alle speelruimte krijgt om het verhaal te vertellen dat Philippe Claudel in 2005 neerpende, met virtuose finesse en in literair vakmanschap gedrenkte empathie. Dat verhaal is spek naar de bek van Cassiers. Cassiers wil niets liever dan stukken maken die een literaire schoonheid koppelen aan een actuele relevantie. In het voorjaar van 2017 probeerde hij dat in het te expliciete Grensgeval (waarin hij Die Schutzbefohlenen ensceneerde, de tekst over de vluchtelingencrisis die Elfride Jelinek in 2013 schreef). Met Het kleine meisje van Meneer Linh slaagt hij er veel beter in om schoonheid aan engagement te koppelen. Dat ligt aan het prachtige verhaal waarin een oudere man uit zijn thuisland in Oost-Azië vlucht. Hij komt in een asielcentrum terecht, sluit vriendschap met een man op een bankje vlakbij het asielcentrum en dreigt die vriendschap te verliezen omdat hij met zijn kleindochtertje naar een ander deel van de stad wordt verplaatst. Koen De Sutter toont zich op de kale scène, waarop weinig meer staat dan enkele zwarte stoelen, een autoharp en een radiootje - een meesterlijk acteur doordat hij je elk woord aanreikt als een beeld. Dat doet hij met een zachte vertelstem plus subtiele mimiek en bewegingen. De Sutter maakt, met behulp van Cassiers, Claudels minutieus geschreven verhaal tot een even minutieuze partituur voor stem en lichaam. Hij (be)speelt de tekst terwijl op het projectiescherm achter hem enkele cruciale woorden opduimen. Het woord horizon, bijvoorbeeld. Al fluisterend of zacht zingend creëert De Sutter zijn eigen soundscape, geregistreerd door enkele microfoons die op de scène staan. Hij gidst je zo door een ontroerend verhaal met een ontluisterend slot en doet wat goed (vertel)theater zo goed kan: je middels de schoonheid van de taal en een verhaal laten meevoelen met het lot van een individu. In dit geval de ontheemde, gekraakte ziel die in of omheen een asielcentrum doolt, wachtend op een nieuwe, hoopgevende première in zijn leven.