'Zelfs de sterrenhemel is naar beneden gedonderd.' Dat denk je wanneer je de zaal betreedt waar Cascade, de verse worp van choreografe Meg Stuart, speelt.
...

'Zelfs de sterrenhemel is naar beneden gedonderd.' Dat denk je wanneer je de zaal betreedt waar Cascade, de verse worp van choreografe Meg Stuart, speelt. Het podium wordt gedomineerd door twee gigantische, vormloze luchtzakken. Het lijken abstracte springkastelen voor volwassenen. Over die luchtkussens liggen zeilen waarop scenograaf Philippe Quesne een kleurige sterrenhemel schilderde. Voorts staat er een steile, houten skaterhelling. Tussen het podium en de eerste toeschouwersrij staat een potige drumset. Boven het podium hangen twee visnetten vol beige brokstukken. Het lijken het brokstukken van oude, Griekse tempels.'Welkom in de post-apocalyptische wereld!', lijkt dit decor te zuchten. Heel langzaam verschijnt een arm bovenop een van de luchtzakken. Op de andere zak verschijnt een been. Plots duikt er iemand uit de coulissen. Alle performers - zeven in totaal - 'glijden' de scène op en bewegen sloom. Alsof ze doodop zijn na het overleven van een wereldramp. Ook de muziek - live gebracht door componist Brendan Dougherty en drummer Philipp Danseizen - klinkt relaxed. Dougherty is de dirigent van het hele gebeuren: hij stuurt het ritme aan.De dansers laten zich aanvankelijk verleiden om in het ritme van de muziek te dansen. Gaandeweg rukken ze zich steeds meer los van dat ritme. Wat dansen ze? Hun dromen. Echt waar. Dromen zoals: kunnen vliegen, astronaut zijn, gewichtloos zijn, ten huwelijk gevraagd worden, marsmannetje zijn, terug kunnen dansen als een puber, opnieuw gewiegd worden als een baby, ... De dansers jagen die dromen na op kleurige sneakers en met enthousiast gebruik van de valtechnieken die Stuart hen aanleerde. Er wordt met veel genoegen virtuoos gevallen. Als toeschouwer tuimel je mee. Van de ene droom in de andere. Van de ene virtuoze danssolo in het andere sensuele duet. Intussen trekt ook de sterrenhemel zich als achtergronddoek uit de vernieling naar de hemel op en ineens hoor je zelfs de Bee Gees How Deep is Your Love zingen. Het zou een schoon maar te stroperig einde zijn dus breit Stuart er nog enkele scènes aan. Dat zijn er net iets te veel. Tijdens het laatste halfuur slabakt het ritme, hoe pittig de soundscape ook is en hoe fris de beelden. Er wandelt een smeltend bolletje vanille-ijs over de scène (uiteraard verzinnen we dit niet!), een gemaskerde man met paars haar en in adamskostuum maakt een wandeling over het podium en een in net pak gehulde Pieter Ampe vertelt over hoe hij zijn vrijheid heroverde in het leven en hoe hij als prille veertiger ontzettend graag puzzelt, ...Aha! Puzzelen. Dat lijkt de baseline van Cascade. Meg Stuart puzzelt een portret van de post-apocalyptische wereld. Ze vraagt het publiek te doen wat we ook als samenleving moeten doen: met alles wat ons rest plus onze vrijgevochten verbeelding een nieuwe werkelijkheid puzzelen. Je puzzelt en tast naar betekenis maar vindt, voorlopig, enkel andere tastende handen...Tot slot slaan de knallende drums alle dromen aan flarden. De lichten flikkeren. Zo wordt Cascade een rakend én rockend portret van de staat waarin de wereld zich nu bevindt én van de staat waarin de mensheid zich bevindt: op maar moe en dolend en koortsachtig zoekend naar oplossingen. Intussen wordt er gedanst en gedrumd. Daar wordt, ondanks de verwarring, schaamteloos van genoten. Op de scène en in de zaal.