Maarten Devoldere: Ik maakte liedjes, en Patricia (Vanneste, die Balthazar in 2017 verliet, nvdr.) deed al mee. We zaten in dezelfde klas in het vijfde middelbaar in Kortrijk. Ik speelde piano, zij viool, en we wilden er nog een cellist bij halen. Ik schreef toen nog van die crybaby, puberale singer-songwritersongs. (grijnst) We wisten dat er een dorp verder, in Harelbeke, een rockgroep was waarin een cellist meespeelde. Toen Patricia en ik die gingen scouten, bleek hij er niks van te bakken. Maar die zanger-gitarist konden we wel gebruiken. We zijn dan maar van het plan afgeweken en hebben Jinte gevraagd. De eerste keer dat we afspraken, zijn we naar de film geweest: Steve + Sky.
...

Maarten Devoldere: Ik maakte liedjes, en Patricia (Vanneste, die Balthazar in 2017 verliet, nvdr.) deed al mee. We zaten in dezelfde klas in het vijfde middelbaar in Kortrijk. Ik speelde piano, zij viool, en we wilden er nog een cellist bij halen. Ik schreef toen nog van die crybaby, puberale singer-songwritersongs. (grijnst) We wisten dat er een dorp verder, in Harelbeke, een rockgroep was waarin een cellist meespeelde. Toen Patricia en ik die gingen scouten, bleek hij er niks van te bakken. Maar die zanger-gitarist konden we wel gebruiken. We zijn dan maar van het plan afgeweken en hebben Jinte gevraagd. De eerste keer dat we afspraken, zijn we naar de film geweest: Steve + Sky. Jinte Deprez: Hij had een vriend meegenomen van bijna twee meter - en hij is zelf een meter negentig. Ik kwam daar aan als een dwerg. (lachje) We waren allemaal heel stil. Een beetje awkward, eigenlijk. Ambitieus waren we niet echt: ik ging gewoon wat gitaar en viool spelen bij zijn pianoliedjes. Ik had nog altijd mijn eigen band, maar dat was - met alle respect - zo'n scoutsgroepje, je maten overtuigen om mee te doen op drums en bas. Bij mij groeide de frustratie omdat we de songs die ik schreef niet meer konden spelen. Uiteindelijk belandden allebei onze groepen in de finale van Westtalent van 2005. Ik dacht: ideaal, ik ga door met wie hier wint. En dat was Balthazar. Maar ik kende mezelf al genoeg om direct te zeggen: ik wil niet alleen de gitarist zijn. Dat ego had ik al. Devoldere: Ik denk niet dat hij zich opgedrongen heeft, maar dat ik het hem gevraagd heb, na de finale van de Rock Rally (in 2006, waarin Balthazar de publieksprijs won, nvdr.): zouden we het niet met twee doen?Deprez: De cellist van mijn eerdere groep was al pissed, de rest daarna ook. (lacht) Ik ken hem trouwens nog altijd, maar alles is chill nu. Hij speelt wel geen cello meer, hij is doctor in de archeologie. En zo is Balthazar effectief de helft van ons leven geworden: we zijn er op ons zeventiende mee begonnen en zijn nu vierendertig. Crazy. Deprez: De eerste keer dat we Blood Like Wine hebben gespeeld, was in een zaaltje naast de Moulin Rouge. Een van de eerste keren dat we naar Frankrijk gingen. Je zag meteen dat het effect had, dat mensen hun bekertje in de lucht staken. Wat misschien niet zo onlogisch is als je ik-weet-niet-hoeveel-keer 'raise your glass' zingt. (grijnst) We zijn dat a-capella-einde trouwens blijven verlengen tot we vonden dat het erover was. Hoe hard kun je een gimmick uitbuiten? Devoldere: Nu durven we het tijdens optredens gerust te skippen. Deprez: Om de magie nog een beetje te behouden. Onze eerste jaren hebben we heel veel live gespeeld. Zo hebben we onze reputatie opgebouwd - niet zozeer als radioband. Zeker met Applause, onze eerste plaat, hebben we echt niet veel airplay gekregen. Op Applause staan enkele degelijke classic songs, maar ook zo van die puzzelnummers. Devoldere: Dat wij nog geen regelrechte belpopklassieker hebben geschreven? Klopt. Zot dat we toch zo'n carrière hebben uitgebouwd. Deprez: Ik denk dat je bij de meeste groepen in een overzicht van hun carrière wel kunt schrijven: 'En toen kwam díé song.' Dat hebben wij niet. Dat is zowel een zegen als een vloek. Heel lang een zegen vooral, omdat we nooit vastgepind werden op één nummer. Maar mocht het nú gebeuren, dat zou ideaal zijn. (lacht)Devoldere: Het is toch schitterend als je nieuwe single het hoogtepunt van de set wordt, zoals met het titelnummer van onze vorige plaat Fever? Zo kun je als band tenminste groeien. Je bent niet afhankelijk van de oude nummers. Devoldere: Ik was Borremans eens op café in Gent tegengekomen toen Fifteen Floors net uit was. Hij was vree fan. Nadat hij de plaat had gekregen, hebben we hem uitgenodigd naar een optreden in de Trix in Antwerpen. En gevraagd of hij misschien zijn maat Tom Barman kon meepakken - die kenden we toen nog niet. Daar stonden ze dan effectief met twee in de Trix. Bloednerveus waren we! We speelden The Boatman als eerste, waarna Barman vanaf de eerste rij riep: 'Speelt da nog 's, da's keigoe!' Alle aandacht in de zaal meteen naar hem, natuurlijk. (lacht)Deprez: Ik weet nog dat Borremans uit de doeken deed dat hij voor de clip Bart Kaëll wilde. 'Ik heb hem gebeld en hij wil het doen.' Alsof het de evidentie zelve was! We waren megatrots op dat nummer, en dan hadden we ook nog die clip. Nochtans was Applause commercieel niet zo makkelijk. Ik denk dat ze dat nummer op Studio Brussel twee keer gedraaid hebben. Eén keer heb ik het gehoord, en ik dacht: megahit! Waarna het uit de playlist werd gezwierd. (lacht) Ook die clip werd niet echt opgepikt. Wat we van de keuze voor Bart Kaëll dachten? Ik weet dat hij eerst wantrouwig was, tot zijn management hem uitlegde wie Michaël Borremans was. Hilarisch. Zeker ook omdat het nummer dus The Boatman heette, en hij natuurlijk bekend is door De Marie-Louise en Zeil je voor het eerst. (lacht) Ik denk dat Borremans dat wel grappig vond. Devoldere: Ik mag graag denken dat Balthazar zich tussen Michaël Borremans en Bart Kaëll situeert. Deprez: Met onze eerste plaat moesten we ons bijna binnenbluffen op Werchter. Maar dan krijg je de steun van een figuur als Herman Schueremans, en dat verandert veel. Werchter Classic was dat jaar met Blondie en Bruce Springsteen, Werchter Boutique met Muse en SX. Op Rock Werchter stonden we in The Barn. In vergelijking daarmee is de Main Stage een gigapodium. Precies een voetbalveld waar je met vijf man op staat. Dat waren we niet gewend. We tourden toen ook met Rats, dat nogal melancholisch en introvert is, niet echt een festivalplaat. Devoldere: Die show van Bruce Springsteen was echt fantastisch. Ik had een groot vooroordeel tegenover hem: dat was zo van die muziek voor nonkels, eightiesstadionrock met saxsolo's, heel feel-good, 'alles moet tof zijn'. Voor een rebelse twintiger was Springsteen gewoon 'pfff'. (rolt met de ogen) Dat concert was effectief dat alles, maar op den duur stond ik daar net zoals iedereen in vuur en vlam mee te klappen. (lacht) Zo ontwapenend en begeesterend! Zo puur ook, net omdat het niet cool was. Echt supergoed. Deprez: Een groot contrast ook met Blondie. Debbie Harry is backstage twee zinnen komen zeggen. We hadden nauwelijks door dat zij het was, vlotte West-Vlamingen als we zijn. (lacht) Of het op vraag van Muse-drummer Dominic Howard was dat we op Boutique stonden? Ik weet niet wat daar allemaal van waar is. Hij had ons gehoord, dat wel. Maar hij heeft sindsdien alleszins niet meer gebeld. (lachje) Devoldere: Ik zag onlangs een reportage over Will Tura en het ging daar ook over: 'En dán stond hij in een uitverkocht Vorst.' Ik dacht: fuck, dat hebben wij ook gedaan. Ik weet nog dat we vree nerveus waren. Deprez: (glimlacht) We hadden een soort ufo als decor meegebracht en extra podiumekes laten maken. Vorst was niet meteen onze comfortzone. In AB-achtige zalen waren we tenminste op ons gemak. Wij zijn van nature geen band die even zo'n podium inpakt. Devoldere: We waren door heel Europa aan het touren (voor het album Thin Walls, nvdr.) en dat ging goed - overal toffe shows. Maar toen kwamen we bij Vorst. Ik wist dat we er met een ei in de broek zouden staan. Het zou niet dezelfde spontaniteit hebben. Dus zei ik: we gaan allemaal drinken! (lacht) We bleven wel goed spelen - we waren geroutineerd - maar we hadden méér nodig om het te durven. Ik was zat tegen het einde van de show en had het duidelijk nódig. Deprez: In Vorst spelen is megamoeilijk. Die zweterige, intieme dialoog met het publiek die we graag opzoeken, vervliegt er enorm snel. Je merkt dat de energie vooral van jezélf moet komen. Maar goed. We kregen in die periode vaak het commentaar dat we zoals het Duitse voetbalteam waren: nooit spannend, maar het wint wel altijd. (lacht)Devoldere: Eerst loop je verloren, maar op den duur begin je vanzelf andere dingen te doen. Je springt eens in het publiek of zo, voor de variatie. Of je gaat in een kelder in Polen aan een box hangen omdat je zo zat bent, en denkt nadien: dat was supertof, misschien moeten we dat ook eens in Vorst doen? (lacht) Deprez: Ja, in 2013 en 2015 waren we blijkbaar de Belgische artiesten met de meeste optredens dat jaar (respectievelijk 123 en 118 becijferde De Standaard , nvdr.) Weet je, ik heb er wel eens naar verlangd om een plaat uit te brengen en er niet mee te touren. Nu weet ik dat dat nergens op slaat. Nummers afwerken in een studio is allemaal goed en wel. Maar nu we onze nieuwe plaat al een week gerepeteerd hebben, voel je dat die songs anders beginnen te leven. Je vergeet al die details waarover je in de studio uren je hoofd gebroken hebt en verlangt ernaar om een publiek een eigen betekenis aan die songs te horen geven. Ik heb onderschat hoe belangrijk ik dat gegeven vind. Optreden is een wezenlijk deel van wat wij doen. Devoldere: Mooi hoe we een plek zoals Berlijn hebben opgebouwd: van tachtig naar tweehonderd naar duizend man. Maar die eerste keer Kiev was zot. We waren er nog nooit geweest en daar stond metéén duizend man. Het leek alsof we er niet voor hadden moeten werken, we krégen dat gewoon. (lacht)Deprez: Of Istanbul. Daar hadden we alleen nog maar opgetreden met onze soloprojecten J. Bernardt en Warhaus. Passeren we daar voor het eerst met Balthazar, is er direct drieduizend man. Huh? Blame it on the internet of zo. We komen graag in het zuiden van Europa: Griekenland, Italië, Spanje... Ze houden zich daar niet in. Ook niet in het oosten, trouwens. Heel anders dan Centraal-Europa, waar de omstandigheden juist moeten zitten en je het publiek uit zijn kot moet lokken. Devoldere: Onderschat de Polen niet. In Wit-Rusland zijn ze westerse bands minder gewend. Ze zijn veel dankbaarder. Het is daar Beatlemania. Deprez: Daar sta je als groep uit West-Vlaanderen wel van te kijken. In Turkije trekken ze je de kleren van het lijf als je het publiek in gaat. (lacht) De muziek van Fever leende zich daar ook meer toe. Misschien waren we op onze eerste platen serieuzer. Of zijn we dommer geworden door te touren. (grijnst)Devoldere: Ik denk echt dat we onze beste plaat nog moeten maken. Je hebt van die bands die in het begin een soort magie hebben, iets onbezonnens, een onverklaarbare energie waardoor iedereen hun debuutplaat de beste blijft vinden. Misschien waren wij eerst wat cerebraler, ja. Maar daarom niet minder creatief. Andere bands verliezen hun x-factor en worden gepolijster. Wij durven nu net meer los te laten, worden onstuimiger. Deprez: Na Fever, waarop we Patricia nog hebben uitgenodigd om met haar strijkerskwartet mee te spelen, is Tijs bij de groep gekomen om mee te touren. Devoldere: Sowieso waren we toen al een beetje een andere band geworden, na die break waarin we onze soloprojecten hebben gedaan (naast J. Bernardt en Warhaus, de al vermelde projecten van Deprez en Devoldere, waren dat Zimmerman van bassist Simon Casier en Rosenahl van drummer Michiel Balcaen, nvdr.). We waren ouder. Gerijpt. Bij de eerste drie platen speelden onze ego's nog een grote rol. Maar Tijs is heel zachtaardig, en dat deed erg deugd. Muzikaal speelt hij zowat alles, dus dat geeft ons extra kleuren om mee te werken. Vooral live. Deprez: Door te touren is er een speelsheid in de groep geslopen. De muziek op Fever was groovier, mensen begonnen tijdens concerten te dansen, wat we met Balthazar nog niet hadden meegemaakt. Die speelse kant van Balthazar wilden we ook voor ons nieuwe album Sand, dat we al voor corona op tour aan het schrijven waren, verder ontwikkelen. Ons initiële idee was om met de band in de studio live op te nemen: laat maar rammelen, we zien wel wat het oplevert. Door de lockdown werd samen spelen dan weer illegaal. Die situatie hebben we aanvaard in plaats van vervloekt, en de werkwijze weer omgedraaid: solitair van thuis uit gewerkt, meer de elektronische kant op, weer wat meer samples en synthesizers. In feite kregen we er corona als zesde muzikant bij. Devoldere: Er staan ook veel vrouwenkoren op de plaat. Wilden we gewoon eens proberen. Zo hebben we pas gemerkt hoezeer onze eigen manier van zingen de songs al kleurt. Vaak hebben we die koortjes ook niet gebruikt omdat het totaal niet werkte - het was precies Balthazar niet meer. Maar ik hield van die interferentie: wij begonnen anders te zingen omdat we geïnspireerd raakten door die soulachtige, gospel-y dingen. Deprez: Die hoge stemmetjes, dat ben ik niet alleen, hoor. Je zou ervan versteld staan hoe hoog Maarten kan zingen. Klinken we nu soms als Scissor Sisters? Dat gaat ver! Maar tot de Bee Gees kan ik volgen. Devoldere: Het ging allemaal niet bewust. Misschien zeggen we binnen enkele jaren wel: dat was onze falsetfase. Devoldere: We hadden de foto gezien die uiteindelijk de hoes is geworden, van die sculptuur van een zittende zeeolifant van de Nederlandse kunstenares Margriet van Breevoort (Homunculus Loxodontus is de naam, nvdr.). Ik vond die eerst grappig, dan intrigerend en uiteindelijk iconisch. Sand gaat veel over rusteloosheid en wachten. Waiting Room was zelfs een van de werktitels. Die foto sloot daar perfect bij aan. Deprez: Toen Van Breevoort ons de betekenis ervan uitlegde, dachten we: this was meant to be. Ze beeldt uit hoe pijnlijk zelfbewust je je voelt als je in een wachtzaal zit, hoe awkward dat is. Je verliest alle controle want je kunt niets anders doen dan wachten. Devoldere: We hebben veel teksten geschreven tijdens de eerste lockdown. Niet specifiek óver die lockdown, maar het is een beetje zoals met horoscopen: je kunt laten kloppen wat je wilt. Deprez: Zodra we dat als thema van de plaat herkenden, hadden we ook al wel door dat het een globale emotie aan het worden was: ieders leven stond in pauzestand. Devoldere: In die lockdown werd je je heel erg bewust van jezelf. Als je tien jaar lang veel tourt en wordt geleefd, zit je toch in een bubbel. De max, daar niet van. Maar als dat allemaal wegvalt, wie bén je dan? Deprez: Je bent nooit lang genoeg thuis om te beslissen wie de vuilnisbakken moet buitenzetten. In de eerste lockdown ben ik mijn huis beginnen te renoveren; de eerste keer dat ik mijn handen uit de mouwen stak. Ik weet nu dat ik geen talent heb voor verbouwen. Verschrikkelijk. (lacht)Devoldere: Ik, euh, heb mij op de meditatie en yoga gesmeten. Voor de eerste keer in mijn leven ben ik vrijgezel. Dat was nieuw, alleen thuis zitten. Wel, euh, interessant. Maar ook superkut, natuurlijk. Je beseft dat je het applaus mist, dat het gevoel van succes verslavend werkt. Je begint je te identificeren met de songschrijver. Nu besef ik dat dat bullshit is.