Scène 1. Het café.

'Ik zit op een barkruk aan de toog van het café van mijn grootouders. 'In Gaasbeek' heet dat, aan het Zuidstation in Brussel. Op de toog staat een rij volle bierglazen, klaar voor de pendelaars uit het Pajottenland die zo meteen zullen toekomen en snel snel hun pint leegdrinken. Het is zeven uur 's ochtends, een nieuwe werkdag komt op gang. In de hoek van het café staat een jukebox. Af en toe krijg ik van mijn grootvader een centje om een plaatje te spelen, telkens een zalig gevoel.'
...