Het Belgische nachtleven kende in 2019 geen goede start. In het liberale Gent van Mathias De Clercq kreeg Kompass Club een sluiting van vier maanden (!) opgelegd, een beslissing die inmiddels geschorst werd door de Raad van State. Antwerpen besliste op haar beurt om uitgaanscomplex De Shop, met onder meer Club Vaag en Roxy onder haar hoede, tijdelijk te sluiten wegens vergunningsproblemen. Als klap op de vuurpijl raakte begin deze week bekend dat het nachtleven misschien wel definitief afscheid moet nemen van Café d'Anvers, een monument in de scene. In elk verhaal hoor je echo's van een moeilijke verstandhouding met de overheid. Wanneer draaien we dat model eindelijk om?

Het zou vanzelfsprekend moeten zijn dat een stad met internationale allure haar nachtleven omarmt en daarbij het juiste evenwicht bewaart tussen een bruisend karakter en een leefbare omgeving, ook al is dat een delicate opdracht. Het vergt inspanningen van alle actoren, zowel van de overheid, van de betrokken buurt als van de sector. Helaas is die zoektocht naar een modus vivendi niet zo evident. Integendeel, de onderlinge relatie is er vaak één op gespannen voet.

Wie het nachtleven in slaap wil wiegen, ontkent de essentie van een grootstad.

Het lijkt er zelfs op dat we in sneltempo evolueren naar een samenleving waar een individu dat zich stoort aan iets een soort goddelijk beslissingsrecht krijgt onder het mom van overlastbestrijding. De Gedempte Zuiderdokken, het Mechelseplein en het Eilandje zijn maar een paar voorbeelden. De getuigschriftburger als rechter van het algemeen eigenbelang.

Politici hebben vaak de neiging om snel in dat verhaal mee te stappen. Dan verliezen ze net dat uit het oog waarvoor ze als vertegenwoordigers van het publiek gezag garant moeten staan: het afwegen van verschillende belangen. Alle verkiezingspamfletten over het 'belang van een bruisend studenten- en nachtleven' ten spijt.

Begrijp me niet verkeerd. Burgers hebben absoluut het recht om van zich te laten horen. Je zal me ook niet horen pleiten voor een tolerante houding ten aanzien van mensen die het fameus uithangen. Individuen die zich verliezen, horen om op hun verantwoordelijkheden gewezen te worden. De sector is daar trouwens zelf vragende partij voor, want in essentie zijn deze personen uitgerekend voor hen de grootste bedreiging. Daarom zoekt het gros van de clubs te goeder trouw naar oplossingen.

Overheden kunnen in de strikte toepassing van hun beleid clubs genadeloos hard straffen door hen bijvoorbeeld een sluiting op te leggen.

Andere grootsteden in Europa gaan minder krampachtig om met hun nachtleven. In Londen stelde men de 'Night Czar' aan. In Berlijn werd een specifieke 'Clubcommission' opgericht. Telkens gaat het om initiatieven die een brugfunctie willen vervullen tussen de overheid en de sector zelf. Ze vertegenwoordigen het nachtleven en gaan op zoek naar oplossingen voor het behoud van het nachtleven en zijn venues, maar telkens in goede verstandhouding met het bestuur en de buurt. Deze steden hanteren een fundamenteel ander perspectief. Ze aanvaarden hun nachtleven en zetten het zelfs in de etalage. Ze zijn er verdorie trots op omdat ze beseffen welke culturele en economische meerwaarde een florerend nachtleven met zich meebrengt.

Zou het niet magnifiek zijn als wij in ons land ook een globaal uitgaansbeleid zouden uitdokteren, dat streeft naar de juiste verhouding tussen leefbaarheid, duurzame stadsontwikkeling en culturele ontplooiing en waarin alle actoren op gelijke voet staan? Met een heldere toekomstvisie op de uitbreiding van wooncapaciteit en de inplanting van horeca en nightlife? Wie zoiets nalaat, creëert vroeg of laat zijn eigen problemen.

Met die gedachte in het achterhoofd pleit ik ervoor om in Antwerpen een nachtburgemeester te installeren. Een nachtburgemeester kan het conflictmodel tussen overheid en nachtleven omdraaien. Al te vaak zitten de protagonisten met getrokken messen tegenover elkaar. Als beleidsmakers en uitbaters elkaar zien, dan is het omdat iemand op het matje wordt geroepen. Zo worden uitbaters aan bijzonder strenge voorwaarden onderworpen, onder meer op het vlak van geluid, mobiliteit en beleid ten aanzien van overlast. Dat is terecht, want een overheid moet ook de leefbaarheid van haar stad vrijwaren.

ommige stadsbewoners gaan zondagochtend graag brunchen of trekken erop uit voor een leuk dagje shoppen. Anderen bekomen op dat moment van een geweldige avond in de stad waar ze hun hart verloren.

Maar overheden kunnen in de strikte toepassing van hun beleid clubs genadeloos hard straffen door hen bijvoorbeeld een sluiting op te leggen. Dat is een conflictmodel dat uitgaat van een hands off-mentaliteit in plaats van een model waarin constructief naar oplossingen wordt gezocht.

Men vergeet nogal snel dat het hier gaat om ondernemers, vaak jonge mensen, die grote financiële risico's nemen om wekelijks voor duizenden mensen plezier te organiseren. Men vergeet nogal snel dat het in grootsteden als Brussel, Gent en Antwerpen is dat artiesten hun creativiteit de vrije loop kunnen laten gaan en de eerste stappen kunnen zetten richting een professionele carrière. Men vergeet nogal snel dat je een voedingsbodem voor jong talent moet bemesten, niet verdelgen. Wie het nachtleven, in Antwerpen en daarbuiten, in slaap wil wiegen, ontkent de essentie van een grootstad. Een bloeiende uitgaanssector is onlosmakelijk verbonden met een stad die internationale ambitie heeft.

Onze stadsgemeenschap is hyperdivers. Sommige stadsbewoners gaan zondagochtend graag brunchen of trekken erop uit voor een leuk dagje shoppen. Anderen bekomen op dat moment van een geweldige avond in de stad waar ze hun hart verloren. Een échte wereldstad maakt geen onderscheid in termen van plezier. Het wordt hoog tijd dat we ons huidige model omdraaien en een grote verbinding maken tussen de overheid, haar burgers en de sector zelf. Wat we op de dansvloer doen, moeten we toch ook elders kunnen?